Religieus erfgoed verdient een strategie


En langs het tuinpad van m’n vader zag ik de hoge bomen staan. Ik was een kind, hoe kon ik weten dat dat voorgoed voorbij zou gaan?”

Voor de verandering zing ik, aan het begin van mijn toespraak. Ik vind het een ontroerend lied. Ik weet niet of er iemand nostalgie treffender onder woorden heeft gebracht dan Wim Sonneveld met ‘het dorp’. Het was al lang een hit geweest, toen ik het als kind leerde kennen als achtergrondmuziek in een televisiereclame tegen het slopen van monumenten. (“Het is nog niet voorbij, maar we moeten wel verdraaid zuinig zijn op onze monumenten. En eerst tot tien tellen voor we gaan slopen.”)

De kerk bij Den Horn, foto: Stichting Oude Groninger Kerken
Ik mag in de oude rechtbank in de stad een toespraak houden bij de opening van het Centrum voor Religie en Erfgoed van de Rijksuniversiteit. Het gesternte is niet gunstig. Als erfgoed is wat je hebt geërfd van je voorouders en wilt doorgeven aan je kinderen, dan zijn het zware tijden voor religieus erfgoed. Wij zijn de eersten niet, en naar wij hopen niet de laatsten. Maar het risico is wel aanwezig.
Ik behoor in mijn familie tot de laatste generatie die een behoorlijke werkvoorraad Bijbelteksten in zijn hoofd heeft zitten. En bij wie op onverwachte momenten – zomaar op de fiets, of als het carillon van de Martinitoren een koraal speelt – psalmen en gezangen opborrelen. Als anderen dat merken, leidt dat tot bezorgde blikken. Onze kinderen, die we religieus proberen op te voeden, zal dat al niet meer overkomen. Die kennen die teksten niet meer. Is dat erg? Ik vind het wel jammer. Want ik zie het als religieus erfgoed. Dus ik ben geneigd het door te geven.

Maar we leven in een geseculariseerde tijd. Pick your fights. Ik vind het van levensbelang dat we aan onze kinderen en kleinkinderen meegeven wat waardevol is voor een goed leven. En waarom we dat vinden. En we doen dat in de wetenschap dat het voor hen een grote uitdaging zal worden om vorm te geven aan religie op een manier die past bij hun tijd. We kunnen interesse wekken. Bronnen openen. Maar zij moeten kiezen.

De geseculariseerde tijd zorgt er dus voor dat we religieus erfgoed niet integraal kunnen doorgeven aan een nieuwe generatie. Dat geldt zeker voor het immateriële erfgoed. Maar het geldt ook voor de gebouwen. Soms is er een meevaller. De studiedag waarop ik spreek, vindt plaats in een ruimte die ik als rechtenstudent nog als zittingszaal heb bezocht. Ik kan uitleggen waar het beeld stond van Vrouwe Justitia. En waarom er een gleuf zit in het tafelblad van de halfronde tafel. Eigenlijk is het wel grappig om te bedenken dat hier dus juridisch erfgoed van de staat is ingelijfd door de godgeleerden. Het kan verkeren!

Een kapot thuis

Erfgoed is belangrijk. Niet alleen omdat het oud is en onvervangbaar. Het zijn de ijkpunten in onze wereld. Voor overgeërfde rituelen geldt dat ze ons richting geven en handelingsperspectief. Een ritueel betekent dat je weet wat je moet doen als je niet meer weet wat je moet doen. En overgeleverde monumenten maken van onze omgeving een thuis wordt. Letterlijk, voor wie woont in een monument. Voor de anderen zit het psychologisch er niet ver van af.

In de kern van het aardbevingsgebied is een groot deel van ons thuis kapot. Wie Romaanse kerken wil zien, moet niet naar Italië, maar naar Groningen, want het barst er hier van. De kerkjes liggen hier als hagelslag verspreid door het landschap en zijn niet weg te denken. Maar veel van die grote rijkdom is beschadigd.

Nou zijn we in Groningen ambitieus. Wij innoveren graag en zijn bijna altijd bereid om te experimenteren. Kijk bijvoorbeeld naar Healthy Ageing of onze ICT-bedrijven. Dat zijn koplopers als het gaat om digitalisering en slimme big data-oplossingen. Denk ook aan waterstof: hier rijden de eerste auto’s op waterstof. En straks leveren we schone energie voor het hele land.

Ook wat betreft ons erfgoed hebben wij ambities. Maar kunnen we heel maken wat gebroken is? Door de gaswinning zijn wij tegen wil en dank in een snelkookpan terechtgekomen. Wij moeten in vijf jaar tijd beleid maken voor ons erfgoed, waar de rest van Nederland minstens twintig jaar de tijd voor heeft. Want in een groot deel van Nederland moeten we antwoord geven op schaarse middelen, bevolkingskrimp en leegstand. Maar hier wat sneller.

De realiteit is dat we niet alle monumenten in hun huidige vorm zullen behouden. Nergens in Nederland of in de rest van de wereld. Dat is niet erg, want we hebben nu ook monumenten met een zestiende, zeventiende en achttiende-eeuwse vleugel. En ook vroeger werden potentiële monumenten zonder scrupules gerecycled in nieuwe gebouwen, die vaak ook weer monument werden. Ook wij moeten elementen van onze tijd toevoegen aan het erfgoed, de monumenten van morgen bouwen en afscheid nemen van een aantal andere elementen.
Dat maakt erfgoed dynamisch. Maar het mag nooit zo dynamisch zijn, dat we ons er niet meer thuis voelen. Daarom moeten we op een zorgvuldige en goede manier omgaan met erfgoed. Welke keuzes we maken we en op basis waarvan?

Wierdendorpen met losse tanden

Nu nog worden de keuzes gemaakt door de NAM, op basis van economische afwegingen en veiligheid. Dat is een te eenzijdige blik op ons erfgoed. Gelukkig zijn onze Rijksmonumenten redelijk veilig. Die worden door de wet beschermd. Maar dat geldt niet voor ‘normale’ beeldbepalende panden. Die worden nu soms gesloopt. We hebben te weinig instrumenten om dat te keren. Daarom is het zo belangrijk dat gemeenten inventariseren welke karakteristieke panden zij willen beschermen.

Want als we dat niet doen, eindigen we met wierdendorpen als slecht onderhouden gebitten. Met de monumentale kerk als rijksmonument in het midden en daar omheen nog een enkele tand, omdat diverse oude beeldbepalende panden zijn gesloopt. En met een beetje pech staat aan de rand nog een puist met jaren ’70-woningen die wel versterkt en behouden zijn. Zo versterk je iets dat niet toekomstbestendig is.

Het is niet voldoende om hier en daar een rijksmonument te versterken. We willen de samenhang behouden. Daarvoor moet je niet alleen kijken naar het object an sich, maar naar het monument in zijn omgeving, in zijn context. En dát is in de kern de noodzaak voor een goed gebiedsgericht erfgoedprogramma.

Verhalen vertellen

Dat hebben we sinds deze zomer. En we zijn hard bezig met de uitvoering. Ook in de Groningen-paragraaf in het nieuwe regeerakkoord wordt aandacht besteed aan ons erfgoed. En er wordt geld in het vooruitzicht gesteld. Dat stemt hoopvol, al zijn het nog niet de bedragen die volgens ons nodig zijn.

In de afgelopen zomer kwam de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed met een opmerkelijke uitspraak. Monumenten die niet meer zijn te redden kunnen eventueel ook als ruïne behouden blijven. Vanuit het idee, zo kwam het in het nieuws: ‘dat een ruïne ook het erfgoed-verhaal kan vertellen’.

Natuurlijk, het advies omvatte meer en het was misschien een opmerking in de marge – maar het kwam bij ons keihard aan. Want onze kerken en monumenten zijn niet alleen fysieke ijkpunten, ze zitten ook in ons hoofd. Ook kerken die niet meer voor diensten worden gebruikt, blijven immers bijzondere gebouwen. Gebouwen die een belangrijk verhaal vertellen – en laten zien – van de geschiedenis van de mens in deze regio.

De Stichting Oude Groninger Kerken slaagt er in om veel kerken een nieuwe, zinvolle bestemming te geven in kleine dorpsgemeenschappen. In een andere rol is een kerk daarmee vaak opnieuw een plek waar mensen samenkomen. Die functie voegt meer toe dan de stenen alleen.

Weten waar we ‘weg’ komen

Ik merk dat ik lang stilsta bij het materiële erfgoed. Maar er is meer waar we aandacht aan besteden. Meer dat we de moeite waard vinden om door te geven. Juist in een samenleving die nog altijd seculariseert, maar die tegelijk in toenemende mate allerlei niet-Westerse religies opneemt – is het belangrijk om te weten waar we vandaan komen.

Ik herinner me Fokke en Sukke, die vasthouden aan tradities. “Tweede Hemelvaartsdag: lekker naar Ikea.” Ze slaan de spijker op zijn kop. Rond Kerst haakte ik aan bij een groepje jonge wielrenners. Eén van hen vroeg wat we ook al weer vieren met de Kerstdagen. Die vraag past bij de deprimerende uitkomsten van onderzoek dat regelmatig wordt gedaan naar de bekendheid van christelijke feestdagen. Wie Pasen en Pinksteren weet te plaatsen, hoort inmiddels bij een minderheid.

De bekendheid neemt af. Maar de vraag naar zingeving blijft. Op het Herewegviaduct, boven het spoor, liggen bloemen en een kaars. Een spontaan monument voor een overleden jongen. Mensen wisten wat ze moesten doen toen ze niet meer wisten wat ze moesten doen. Zo had ook de rouw in Amsterdam bij het sterven van burgemeester Van der Laan religieuze trekken. Het is ook zingeving, religie in een andere jas. Een ‘kyrie zonder gloria’, hoorde ik ooit een dominee zeggen over de begrafenis van André Hazes.

Sterf, gij oude vormen en gedachten

Het is de kracht van het Centrum voor Religie en Erfgoed om nieuwe verschijningsvormen te duiden. Erfgoed dat moet passen bij de tijd, ontwikkelt zich in de tijd. ‘Sterf, gij oude vormen en gedachten’, staat in De Internationale. Over erfgoed gesproken!

Het helpt om scherp te zijn welk erfgoed we willen behouden. En waarom. Welke gewoonten en rituelen zijn het beschermen waard? Wat leren we onze kinderen op school? En welke gebouwen moeten koste wat kost overeind blijven, ook als ze hun religieuze functie hebben verloren?

Tegelijk moeten we doorpakken en doen, doen, doen. Want wat we echt willen bewaren, vergt actie. Verloren kennis komt niet meer terug. En elke dag dat een kerk of een ander monument geen aandacht krijgt, holt de kwaliteit achteruit. Monumenten hebben geen aardbevingen nodig om zichzelf af te breken. En dan geldt de onverbiddelijke wet: weg = weg.

Geen nostalgie, maar strategie

Wij kunnen daarop vanuit de provincie maar één antwoord geven. We zetten in op behoud. Maar slechts vernieuwing kan behouden. Achter raakt wie stil blijft staan. Wij moeten altijd elementen van onze tijd toevoegen aan het erfgoed omdat het alleen zo vitaal kan blijven. Dat is creatieve destructie op een gevoelig vlak. Aanpassing van de liturgie. In de publieke religieuze uitingsvormen. En in bouwwerken. Stalen balken in middeleeuwse kerken. En grotere veranderingen om een monument een nieuwe functie te geven. Denk aan de piramides van het Louvre in Parijs. Of de Rijksdag in Berlijn. Moderne architectuur gaat hier hand in hand met een eeuwenoud monument.

Zo kan het ook met ons religieus erfgoed in Groningen. Het vergt bewuste en goede keuzes. En omdat erfgoed ons gezamenlijk thuis is moeten we die zo veel mogelijk samen maken. Essentieel is daarbij dat we uitstijgen boven het niveau van ‘Ik was een kind en wist niet beter dan dat het nooit voorbij zou gaan’.

En daarin heb ik hoge verwachtingen van het Centrum voor Religie en Erfgoed dat ik vandaag mag openen. Ik hoop van harte dat ook het centrum kennis kan inbrengen om ons thuis ons thuis te laten. We moeten snel handelen, maar ondertussen blijven nadenken. Religieus erfgoed verdient strategie.

Eén gedachte over “Religieus erfgoed verdient een strategie”

  1. Wat ben ik blij met dit stuk van u, meneer Paas. Het sluit precies aan bij waarom onze werkgroep bezig is om de oude kerk van Ulrum -de Catharinakerk- “op te werken in de vaart der volkeren”. De kerk blijft in stand als kerk maar ook als belangrijkste monument voor waar Ulrum als dorp om bekend staat: de Afscheiding in 1834 onder leiding van ds. Hendrik de Cock. In bijgebouw Irene bouwt SOGK voor ons een plaats om die geschiedenis te behouden en te laten zien. Niet alleen dit, ook wordt het een plek om uit te drukken wat religie (en rituelen) voor mensen betekenen en kunnen betekenen. Hoe ze met dit alles omgaan. In kleine exposities die hopelijk toch de moeite waard zijn.
    Naast St. Oude Groninger Kerken zal wellicht ook het Centrum voor Religie en Erfgoed ons daarbij van grote dienst kunnen zijn.
    Uw overwegingen hierboven geven ons nieuwe moed om verder te gaan op onze lange weg. Hartelijk dank.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *