‘Geef een appel of een peer’

We maken ons vrolijk over Europa, dat het niet eens kan worden over de zomer- en wintertijd. Maar we zijn er in Groningen niet in geslaagd om een eenduidige avond voor Sint Maarten te vinden. In de krant stond een kaartje waarin zelfs in de stad gekleurde stippen stonden voor zaterdag, zondag en maandag. Het resultaat is dat wij thuis vanaf vanavond drie avonden klaar zitten met snoepgoed achter de deur. Want wij weten uit ervaring dat ‘een appel of een peer’ (zoals het liedje voorschrijft) echt niet meer kunnen. En dat geroutineerde kinderen ook om de mandarijnen heengrijpen.

Het is tegenwoordig een beetje zoeken naar de ware betekenis van Sint Maarten, die we hier in Groningen natuurlijk Sint Martinus noemen. Want 11 november is misschien wel wat te veel een snoepfeest geworden.

Het is echt even zoeken om op 11 november, als we Sint Martinus vieren, de legerofficier terug te vinden die de helft van zijn mantel aan een naakte bedelaar weggaf. De legerofficier, die de kunst van het delen verstond. Die de bedelaar niet alleen zag, maar ook handelde.

Dichter bij eeuwig kun je in Groningen niet komen! 

En voor die zoektocht is de Martinikerk natuurlijk de uitgelezen plek. De huiskamer van Stad en Ommeland. De plek die er altijd al was en die er hopelijk nog lang na ons zal staan. Dichter bij eeuwig kun je in Groningen niet komen! En dichter bij Sint Martinus ook niet. Het is dus een logische plek voor een programma naar aanleiding van Sint Martinus.

De Bisschop van Utrecht, waartoe Groningen indertijd behoorde, gaf in de achtste eeuw de opdracht om deze kerk te bouwen. Het werd een houten gebouw, dat de naam Sint Maartens-kerk kreeg. Pas later werd de kerk van steen, en kreeg ze haar huidige vorm.

Sint Maartenskerk, dat was een verwijzing naar de schutspatroon van het bisdom, de heilige Maarten van Tours. Het is dus geen toeval dat ook Utrecht een Martinistad is. Maar zo noemen ze het daar gelukkig niet.

Het verhaal van Sint Maarten

Wim Kan dichtte ooit: `Iedereen kent het verhaal van Sinte-Maarten. Die een bedelaar de helft gaf van zijn jas. Met dit stapelgek gebaar toonde hij wel zonneklaar. Dat ie niet van Hollandse familie was. Wij zijn nou eenmaal een ander ras. Want een Hollander, een echte Hollander Maakt eerst een kladje wat ’t gaat kosten en dan houdt ie z’n hele jas`

Dat is het verhaal in een notendop. Met een gratis typering van Hollanders erbij. Het gaat over Maarten van Tours. Hij was een Romeins soldaat in de vierde eeuw na Christus. Hij was gelegerd in Gallië. Volgens de overlevering stond hij een keer voor de stadspoort van Amiens, toen zijn oog viel op een bedelaar. Hij gaf hem de helft van zijn mantel. De helft, omdat de andere helft van de jas eigendom was van het Romeinse leger.

Je kunt er onsterfelijk mee worden.

Die nacht droomde hij dat het eigenlijk Jezus was, aan wie hij zijn mantel had gegeven. Hij nam ontslag uit het leger en stichtte een klooster. Later werd hij door de bevolking gekozen tot bisschop van Tours. Hij werd liefkozend ‘Milde Maarten’ genoemd, vanwege zijn (voor die tijd) zachtaardige bestrijding van ketterij en afgoderij.

Je kunt er onsterfelijk mee worden. Vandaag, ruim 1700 jaar later, vieren we nog altijd de traditie van Sint Martinus. In de Martinistad, die alleen al vanwege haar schutspatroon reden heeft om de traditie te koesteren dat we oog hebben voor mensen die in armoede leven.

Armoede

Daarom stemt het tot nadenken dat het aantal huishoudens in Nederland dat in langdurige armoede leeft, de laatste jaren rond de drie procent schommelt. En dat er mensen arm zijn, terwijl ze wel werk hebben. En dat de stad Groningen een abonnement heeft op een plek in de top vijf van armste gemeenten: meteen na de drie grootste steden. Sterk geconcentreerd in de wijken aan de noord-oostkant van het centrum. Selwerd, Paddepoel en Tuinwijk, Korrewegwijk-De Hoogte, en de Oosterparkwijk. Zoom je uit, dan zie je dat er nog twee andere Groningse gemeenten de top tien gehaald hebben: Pekela en Stadskanaal.

Er is natuurlijk een relatie met de werkloosheidscijfers, die ook in onze provincie traditioneel hoog zijn. Maar armoede is geniepiger. Vorige maand maakte het Sociaal Planbureau bekend dat er steeds meer mensen zijn die werken, maar toch in armoede leven. Het gaat om bijna vijf procent van de arbeidspopulatie. Het SCP vertelde er bij, dat gemeenten – die verantwoordelijk zijn voor de aanpak van armoede – deze groep mensen niet goed in beeld krijgen om het probleem aan te pakken. Om er iets aan te doen.

Gek genoeg is het armoedebeleid van de overheid soms zelf ook de oorzaak dat mensen in armoede leven.

Ze zijn slecht zichtbaar voor de instanties. Het gaat vaak om mensen die niet bij hun huisarts in beeld zijn. Want niet ziek en geen kinderen. Ze hebben ook nog nooit een uitkering gehad. Maar doordat ze bijvoorbeeld in deeltijd werken, verdienen ze net te weinig om hun hoofd boven water te houden. Of krijgen als ZZP’er te weinig euro per uur.

Gek genoeg is het armoedebeleid van de overheid soms zelf ook de oorzaak dat mensen in armoede leven. Want wie weinig geld heeft, gebruikt een voorschot soms niet waar het voor bedoeld is. Of terwijl hij er geen recht op heeft. Als je wisselende banen hebt, of een klein baantje naast je uitkering, heb je maar zo een groot probleem op moment dat het voorschot wordt afgerekend.

De goedbedoelende overheid schiet zichzelf zo in de voet. Met als resultaat een traject voor schulphulpverlening voor wat ooit eigenlijk begon als een klein probleem. Een probleem, dat niettemin uitgroeide tot enorme proporties.

Omzien naar elkaar

Maarten van Tours was militair, dus van de staat, maar hij was niet van de verzorgingsstaat. Het begon ermee dat hij zelf de bedelaar zag. En daarna gaf hij zijn eigen helft van de jas weg. Als medemens. En daarna kreeg zijn leven een andere betekenis.

Het komt lang niet altijd aan op overheidshandelen. Soms zijn mensen die om welke reden ook moeilijk zitten, meer gebaat bij een vrijwilliger – of een groepje vrijwilligers – voor een beslissend duwtje in de rug. Want dat is de andere kant van het verhaal over armoede. De enorme veerkracht die mensen hebben als ze eenmaal door de zwaarste periode heen zijn gekomen.

Je hoort wel eens de uitdrukking: kennis is niet belangrijk, het draait in het leven om kennissen. Daar klopt natuurlijk betrekkelijk weinig van. Het verschil tussen de vierde eeuw waarin Maarten van Tours leefde en onze eeuw wordt vooral verklaard door kennis, denk ik. Maar er zit wel een kern van waarheid in. Want wie over een netwerk beschikt, kan grote stappen maken.

Netwerk

Zoals wij hier zitten, vormen we ook een netwerk. We kunnen ons het lot van iemand met financiële problemen aantrekken en zeggen: wij gaan helpen. De betekenis van zo’n besluit is niet te onderschatten. Want je laat zien dat je degene die je gaat helpen, ziet staan. Dat je bereid bent om mee te denken hoe iemand uit de misère kan komen. En het mooie is: je hoeft niet altijd alles zelf te bedenken of te doen. Want misschien ken jij wel iemand, onder je eigen kennissen – of hier, in het netwerk dat we hier op dit moment samen vormen – die dat heel goed kan.

Maar de werkelijkheid is een stuk beter dan Wim Kan haar beschreef. Ook Hollanders helpen.

“Want een Hollander, een echte Hollander Maakt eerst een kladje wat ’t gaat kosten en dan houdt ie z’n hele jas.” Technisch zijn we geen ‘Hollander’, maar Groninger. De vraag is of Groningers een betere recensie zouden krijgen. Maar ik ben er van overtuigd dat de werkelijkheid een stuk beter is dan Wim Kan haar beschreef. Ook Hollanders helpen.

Natuurlijk, het is nog altijd een logische gedachte in onze verzorgingsstaat dat de overheid zorgt voor mensen die in de knel komen. Maar het is net zo logisch, dat we zelf ook waar mogelijk een helpende hand toesteken. Dat we mensen vragen: wat heb je nodig?

Het zijn de wonderen die altijd weer gebeuren. De wonderen die door mensen mogelijk worden gemaakt.

Vanavond gaat het vooral over die helpende hand. Vanavond presenteert ‘Pronkjewail’n’ een boekje met mensen die niet hun kwetsbaarheid, maar wel hun problemen te boven kwamen. Met hulp van toegewijde anderen. En zo wordt het een avond waar we wat van kunnen leren. Van de durf en de kwetsbaarheid van mensen die vanavond een inkijkje in hun leven geven. Een leven, dat in de greep raakte van armoede, een verslaving of wat dan ook.

Tegelijk laten deze mensen iets anders zien. Iets heel moois. Namelijk hun veerkracht. De wil om er bovenop te komen. Om hun ervaringen om te zetten in levenskracht en hun bestaan een nieuwe wending te geven. Het zijn de wonderen die altijd weer gebeuren. De wonderen die door mensen mogelijk worden gemaakt.

Eén gedachte over “‘Geef een appel of een peer’”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *