Verslaafd


Het mooiste vind ik eigenlijk de generale repetitie. Dat is het magische moment waarop je het stuk waar je weken, soms maanden, op hebt geoefend voor het eerst zingt met instrumenten erbij. Horen en voelen hoe ineens alles op zijn plaats valt. Bijgelovige mensen zweren bij een slechte generale. Maar ik vind dat zonde. 

Eigenlijk is die laatste repetitie mooier dan de uitvoering zelf. Musici die elkaar enthousiast begroeten in het Duits en in het Engels. En die prachtig kunnen spelen en zingen. Gisteren was onze generale voor Bachs Messe in H Moll (‘Hohe Messe’). Het grootste koorwerk van Bach, dat hij naar het schijnt aan het eind van zijn leven, ondersteund door zijn zoons, assembleerde uit eerder werk. Een bijna eindeloze hoeveelheid nootjes die we langzaam hebben veroverd. Vanmiddag voeren we het uit in de Nieuwe Kerk.

Mijn vrienden en familie weten het al jaren en maken er kwalijke grappen over. Maar het is waar: ik ben verslaafd. Dagelijks heb ik een onderhoudsdosis nodig. Van ragfijn uitgesponnen cellosonates, van testosterongeladen orgelfuga’s. Van vioolconcerten en klavecimbelmuziek. Maar vooral van cantates.
Het begon ooit met orgelles van een muziekleraar die helemaal in Bach was. Daarna luisteren naar de onvermijdelijke Matthäuspassion en het Magnificat. En het liep flink uit de hand in mijn studietijd, toen Doctor Ouweneel op vrijdagmiddag voor de EO de cantates van een stichtelijk commentaar voorzag. Als hij praatte, ging het geluid op zacht. Maar de muziek nam ik op. Jarenlang behielp ik me met halfversleten cassettebandjes met ruisende radio-opnames. Om naar te luisteren, om bij te werken en om keihard mee te zingen. Pas toen Bachs verzamelde werk in de aanbieding kwam bij het Kruidvat, kreeg ik de collectie compleet.

Onaangepast gedrag

Zoals alle verslavingen, leidt ook deze tot onaangepast gedrag. Geen treinreis of autorit zonder muziek. En reken maar niet dat ik last heb van types (vooral op de achterbank) die zich daaraan storen! Muziek op het werk? Moet kunnen. Koralen uit mijn werkkamer en gefluit en gezang op de gang. Gedachtenloos meestal. ‘Nooit ga ik meer met jou in de lift’ zei ooit een geschrokken collega tegen me. Ik had hem drie verdiepingen gekweld met ‘Ich freue mich auf meinem Tod’. Feestmuziek!

Mocht u dus in de afgelopen weken op de late avond in Groningen een verward ogende manspersoon hebben gesignaleerd, die flarden van een latijnse mis zong: wees niet ongerust. Het zag er misschien wat zorgelijk uit, maar het was onschuldig: René onderweg terug van een koorrepetitie.