De spannende verhalen van Nienoord

‘Wel voorthollen, maar niet op hol slaan’. Deze woordspeling heb ik niet speciaal voor vandaag bedacht. De eer komt geheel toe aan een van mijn voorgangers, Willem Augustijn Offerhaus. Commissaris van de Koningin in de provincie Groningen van 1954 tot 1961. Met deze woorden opende hij in 1958 het Nationaal Rijtuigmuseum hier in Nienoord.

En nu staan wij hier, 60 jaar later. Tijd om een mooi feestje te vieren. ‘Een leven vol rijtuigen’, zoals de jubileumexpositie treffend is genoemd. Maar misschien moeten we wel zeggen: een leven vol verhalen. Want die koetsen, landauers en berlines zijn prachtig en bijzonder. Om hoe ze eruitzien en hoe ze bewaard zijn gebleven. Maar vooral ook vanwege de verhalen die ze vertellen.

Rijke en dolle jonkers

Nienoord ademt sowieso geschiedenis en gonst van verhalen.  Een aantal daarvan spreekt bijzonder tot de verbeelding. Neem het verhaal van jonker Wigbold van Ewsum. Hij koopt op deze plek ruim 500 jaar geleden land om turf te gaan ontginnen. Als een projectontwikkelaar avant la lettre. Slim bekeken, want de nabijgelegen Hanzestad Groningen groeit en bloeit, en heeft brandstof nodig. Het gaat Wigbold dan ook voor de wind. Zijn nieuwe huis, de Nije Oord, groeit uit tot het grootste landhuis van Noord-Nederland. De turf werd niet per rijtuig, maar met een turfschip over het Leekster Hoofddiep afgevoerd naar de stad Groningen.

Uit onvrede over zijn tragische bestaan vernielde hij in een dronken bui de portretten van al zijn voorouders.

En dan het verhaal van Anna van Ewsum, de laatste afstammeling van Wigbold. U kent haar misschien van het praalgraf in de kerk van Midwolde, hier vlakbij. Nadat haar eerste echtgenoot jong overlijdt, trouwt ze met zijn achterneef. Met deze tweede echtgenoot, Georg von Inn- und Knyphausen, brengt zij Nienoord verder tot bloei. Het echtpaar is rijk en houdt van kunst. Ze maken de borg Nienoord alsmaar mooier en welvarender. Nienoord beleeft zijn gouden eeuw.

Maar… het kon natuurlijk niet altijd goed blijven gaan. Er zijn ook minder fraaie verhalen. Bijvoorbeeld dat van de dolle jonker. Folef, de laatste Von Inn- und Knyphausen die de borg bewoonde. Hij had geen vrouw en kinderen, maar wel geldzorgen. Uit onvrede over zijn tragische bestaan vernielde hij in een dronken bui de portretten van al zijn voorouders. Alleen Anna van Ewsum liet hij heel. Want die deugde, vond hij.

Een tragisch einde

En dan kunnen we natuurlijk niet heen om het dramatische verhaal van de familie Van Panhuys. U kent het ongetwijfeld, maar het moet keer op keer verteld worden. Jonkheer Bram van Panhuys is ook al een verre ambtsvoorganger van mij. Nadat de oude borg was afgebrand, laat jonkheer Bram van Panhuys, neef van Folef, een nieuwe borg bouwen op Nienoord. In november 1907 slaat het noodlot toe. Op een pikdonkere en mistige avond raakt Bram met zijn vrouw, zoon en schoondochter bij Hoogkerk van de weg. Ze verdrinken allemaal in het Hoendiep, evenals de huisknecht die mee was.

‘De nagels stonden in de leren overkapping’, zeiden ooggetuigen.

Aangrijpende verhalen, zie ik de aanwezigen denken. Maar we zouden het vandaag toch over rijtuigen hebben? Zeker. De Van Panhuysen brengen ons weer op het spoor van de rijtuigen. Al is het op een macabere manier: de familie Van Panhuys zat in een koets toen ze verdronken. En de deuren waren op slot, want ze waren net nog naar de bank geweest en het is gevaarlijk langs de weg. Toen de koets het water inreed, kon niemand er meer uit komen. ‘De nagels stonden in de leren overkapping’, zeiden ooggetuigen. De koetsier was de enige die het ongeluk overleefde.

Dat was juist in een tijd waarin de auto opkwam en koetsen langzamerhand uit de mode raakten. De boeren hadden liever een trekker. En de notabelen die zich tot dan toe per koets lieten vervoeren, vonden een auto deftiger, comfortabeler en sneller. Wie had er nu nog interesse in koetsen?

Gesjeesde studenten

Nou: studenten. Een student was ‘gesjeesd’ als zijn vader hem uit de stad kwam halen. Met de koets, ook wel ‘sjees’. Maar ook succesvolle studenten lieten zich al eeuwen graag in koetsen en op karren vervoeren tijdens feesten en optochten. Het waren dan ook vooral Groninger studenten die koetsen begonnen op te kopen. Na de Tweede Wereldoorlog, in een tijd van schaarste, waren de koetsen vooral interessant vanwege de materialen waarvan ze gemaakt waren. Soms werd het bruikbare materiaal eruit gesloopt en de rest van de koets in de fik gestoken. Toch bleven de meest bijzondere exemplaren wel intact.

Soms werd het bruikbare materiaal eruit gesloopt en de rest van de koets in de fik gestoken.

Zo kwamen twee ontwikkelingen bij elkaar. Aan de ene kant ontstond er in Groningen, onder andere dankzij de studenten, een bijzondere collectie rijtuigen. Aan de andere kant kocht de gemeente Leek de borg Nienoord en zocht daar een bestemming voor. Zo is de cirkel rond en zijn we terug in 1958, toen Commissaris van de Koningin Offerhaus hier het Nationaal Rijtuigmuseum opende.

Hoe ging het verhaal toen verder? De collectie rijtuigen hier was en is bijzonder. De meeste Europese collecties bestaan voornamelijk uit vorstelijke koetsen. In Nienoord laten de rijtuigen juist zien hoe de dorpsarts, de herenboer en de student zich verplaatsten. Met de comfortabele koetsen uit het wagenpark van de familie Van der Hoop van Slochteren op de Fraeylemaborg. Met een Prins Albert – voor de niet-kenners: dat is een soort jachtkoets – van een boerderij in Schildwolde. Of met de gala-berline van Vindicat. De senaat kwam ermee naar de opening van het museum, 60 jaar geleden. Deze senaatskoets siert nog steeds af en toe het straatbeeld van Groningen.

Reuring in het museum

Maar een interessante collectie is geen garantie voor een succesvol museumbestaan. Al in het begin was er zo weinig geld, dat de broodtrommel van de directeur als kassa diende. De koetsen stonden buiten deels ingegraven, omdat ze anders nat werden als het regende. De doeken die er dan overheen gingen, waren niet groot genoeg.

In 2015 was duidelijk dat het roer echt om moest. Ik vind het knap hoe toenmalig directeur Gitta op den Akker het tij heeft weten te keren. Er kwamen expositieruimtes bij en nieuwe tentoonstellingen van hoge kwaliteit, bijvoorbeeld met hedendaagse beeldende kunst.

Huidig directeur Geert Pruiksma heeft daarop voortgebouwd, onder andere met steun van Berend Hoekstra, deze maand nog nét burgemeester van Leek. En natuurlijk dankzij de vrijwilligers die de schouders eronder willen zetten. Hulde voor hen allemaal!

Nienoord bruist weer als in de tijd van Wigbold en Anna van Ewsum.

De rijtuigen vormen nog altijd het hart van het museum, maar ze illustreren nu de verhalen van stad en Ommeland. De verhalen van het Westerkwartier. De verhalen van Groningen. Passend bij deze tijd, waarin museumbezoekers niet alleen een koets willen zien, maar ook het verhaal erachter willen meebeleven.

De laatste jaren is er steeds meer ‘reuring’ in het museum. Tentoonstellingen van Marius van Dokkum en Rien Poortvliet. Een ambachtencentrum en textielatelier met cliënten vanuit de Sociale Dienst. Ontvangsten voor studenten, en statushouders met hun familie. Bedrijfsuitjes, tuinfairs, Open Monumentendag… Nienoord bruist weer als in de tijd van Wigbold en Anna van Ewsum. Bovendien schuwt Geert geen enkel middel om het cultureel erfgoed van Groningen inclusief rijtuigen bij de mensen tussen de oren te krijgen. Van tafelheer bij TV Noord tot commentator bij Koningsdag. Alles voor de goede zaak…

Ik feliciteer de aanwezigen van harte met 60 jaar Nationaal Rijtuigmuseum Nienoord. Ik wens hen een mooie toekomst. Ik hoop dat de jubileumtentoonstelling zal zorgen voor nog meer leven in de brouwerij. Dat velen de weg erheen zullen vinden. En ik hoop dat ze de oude verhalen blijven vertellen. Dat ze er nieuwe bij maken. Kortom: Sla niet op hol. Maar blijf wél voorthollen.

Eén gedachte over “De spannende verhalen van Nienoord”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *