Geen toekomst zonder boeren


Om eerlijk te zijn: het woord ‘landbouw’ kwam niet voor in mijn sollicitatiebrief. Wel het woord ‘werkgelegenheid’. Want er kunnen nog wel wat banen bij in Groningen. Onze provincie is landskampioen werkloosheid. Dat ik me daar druk om maak, komt ook door mijn achtergrond. Wie voorzitter van een vakbond is geweest en daarna voorzitter van de directeuren van de sociale diensten, ontwikkelt een eenzijdig gevoel voor problemen. Maar het verhaal gaat over de landbouw, vandaag op de najaars-netwerkbijeenkomst van de Agenda Veenkoloniën.

(Foto: Kiek)

Bijna veenkoloniaal

In de anderhalf jaar dat ik commissaris ben, ben ik al veel in de Veenkoloniën geweest. Maar ik kom hier niet ‘weg’. Wel bijna trouwens. Mijn moeder komt uit Gieterveen. De taal die zij spreekt met mijn tantes uit Stadskanaal is onverdund veenkoloniaal Gronings. Opa en Oom Jan – de oudste broer van mijn vader – verbouwden in Borger fabrieksaardappels voor de Avebe. Als kind vond ik dat nogal bijzonder: reusachtige aardappels die oma niet gebruikte voor het eten.

Wat er wel mee gebeurde, kon je ruiken als je bij de fabriek kwam. Ik was niet dol op de geur van vooruitgang. Mijn vrouw groeide op in Veendam en Nieuwe Pekela. Ze ging naar dezelfde middelbare school waar één generatie eerder mijn vader ook heen ging: het Ubbo in Stadskanaal.

Toen ik in 1996 in de stad Groningen wethouder van Openbare Werken werd, hoorden de ‘stadsbezittingen’ daarbij. Zo leerde ik de streek die ik al kende uit mijn jeugd weer op een heel andere manier kennen. Het leidde tot leuke gesprekken in familiekring over stadsmeierrechten. En minstens zo aardige gesprekken met collega-wethouders over de overdracht van stadswegen.

Kortom: ik heb in de Veenkoloniën al een halve eeuw wortel geschoten. De mensen en het landschap zijn onderdeel van mezelf geworden. Ik kom hier dus bijna weg.

Innovatie-agenda

Het maakt me nog geen kenner van de Innovatieagenda Veenkoloniën. En dat maakt deze bijeenkomst voor mij tot een spannende gebeurtenis. De aanwezigen zijn elke dag met deze materie bezig. Daar kan ik niet tegenop. Maar ik heb wel een idee over wat er in Oost-Groningen aan de hand is. Vandaag ga ik in op de landbouw. Niet alleen omdat gedeputeerde Staghouwer op de voorste rij zit. Maar ook omdat er niet een innovatieagenda ligt met flink wat geld. Met veertig miljoen kunnen we op een hoger niveau komen. En omdat er weer een ministerie van Landbouw is. Met boerendochter Carola Schouten als minister. Nu is dat op zichzelf geen garantie voor succes. Maar de startpositie kon minder. Het kan helpen als de landbouw meer ankerpunten in Den Haag heeft dan een enkele deur. Voortaan is het een eigen ministerie met een minister met gevoel voor de landbouw.

Scheve bomen

Ik fiets graag in de provincie. En als je dan rondkijkt, zie je regelmatig in het landschap scheve bomen. Bomen die door de wind een bepaalde richting op zijn gegroeid. Ze waaiden niet om maar ze bogen mee met de wind. En nu zijn ze scheef, maar sterk. Elke lente maken ze mee. De landbouw maakt deze beweging nog niet zo veel, is mijn beeld. Te vaak hoor of zie je in een eerste reactie verontwaardiging over zoveel onwetendheid in de stad over voedsel. Of in de natuurbeweging over agrarische bedrijfsvoering.

Nou is het ook lastig om rustig te blijven als er onzin over je wordt gezegd. Wanneer mensen niet zien hoe boeren hun best doen om het landschap heel te houden. Wanneer media dingen beweren die ver af staan van het boerenbedrijf. Wanneer consumenten de boeren aankijken op de streken die verderop in de productieketen worden uitgehaald. Ik denk aan affaires met paardenvlees, in slachterijen, aan zalm die niet vers was. De aanwezigen kunnen het rijtje vast aanvullen. Gelijk hebben is wat anders dan gelijk krijgen. Als ik een gebogen boom zie, schiet me soms de fabel van Jean de la Fontaine te binnen.

Die gaat over een eik en riet. De eik wordt geveld door de storm. Hij komt met uit de grond gerukte wortels jammerlijk aan zijn einde. Het riet ruist met zijn pluimpjes in de wind, wiegt, buigt, breekt niet en overleeft. De moraal van het verhaal: het loopt slecht af met je als je star bent. Standvastigheid is in deze fabel een zwakte. Wees dus flexibel en buigzaam, anders breek je.

Ik vond dat voorzitter Trienke Elshof van LTO Noord die nuance aardig te pakken had in ‘Nieuwe Oogst’ in augustus. Ze was strijdbaar en buigzaam tegelijk toen ze zei: ‘De sector moet niet buigen voor iedere scheet die de burger laat. Maar je moet wel alert blijven op dit soort reacties.’ Dat betekent dus: soms wel degelijk buigen. Wees een beetje als zo´n boom. Buig mee. Ook al denk je: als consumenten altijd maar kiloknallers kopen, krijg je vanzelf voedselschandalen.

Landbouw wordt onbekend

Want dat is wel een punt. Weten is nog geen doen. De consument is grillig: als je hem naar zijn mening vraagt, krijg je een ander antwoord dan wanneer hij in de supermarkt inkopen doet. Zo’n consument zijn we allemaal wel eens. Ik vind bijvoorbeeld dat we allemaal electrisch zouden moeten rijden en koken. Maar zelf rijd ik op benzine en ons huis wordt warm dankzij een cv-ketel. Ik zeg tegen mijn kinderen dat sporten gezond is, maar sla zelf na een lange werkdag wel eens over. We weten allemaal dat een bitterbal ongezond is. Toch pakken we er op een borrel allemaal wel een. Of twee. Zo gaapt er een gat tussen weten en handelen. Tussen goede voornemens en gedrag.

En er is een kloof tussen de beleving van de consument en die van de producent. De consument ziet niet alles. Voor een deel is dat een natuurlijk verschijnsel. Otto von Bismarck zei dat je van worsten en wetten maar beter niet kunt zien hoe ze gemaakt worden. Maar Bismarck leefde in de negentiende eeuw. In onze tijd is transparantie, zichtbaarheid de norm. En daar is een probleem. Deze regio is ingericht voor de landbouw. De samenleving heeft hier stevig in geïnvesteerd, zodat de agrarische sector veilig en voldoende voedsel kan produceren. En vroeger gebeurde dat, door diezelfde samenleving volop in te schakelen. Landbouw zat in de genen van de inwoners, in alle dorpen van onze samenleving.

Iedereen op het platteland werkte in de agrarische sector of ging tenminste dagelijks om met mensen die er werkten. Maar waar een boer vroeger 15 man personeel had voor de 60 hectare die hij in eigendom had, bezit zijn zoon tegenwoordig 120 hectare. En die bewerkt hij in zijn eentje. Waar vroeger de hele samenleving doordrenkt was van landbouw, is diezelfde landbouw gaandeweg uit het hart van de samenleving weggeraakt. Ook op het platteland. Ik heb het gisteravond even opgezocht. Volgens het CBS waren er aan het begin van deze eeuw nog ruim 280.000 mensen werkzaam in de landbouw. Vorig jaar waren dat er bijna honderdduizend minder. Ruim een derde eraf in zestien jaar. Dat is enorm! En het betekent dat op dit moment nog ongeveer 1% van de Nederlanders werkt in de landbouw. De kans dat je iemand kent die werkt in de landbouw, wordt daarmee in de verstedelijkte gebieden behoorlijk klein. De schaarse boeren rijden op manshoge trekkers achter glas over ’s Heren wegen.

Op de vele hectares landbouwgrond is zelden activiteit te zien. De melkveehouder houdt zijn vee vaker binnen. En waar hij eerder drie snedes gras van het weiland haalt, gaat hij nu van het allervroegste voorjaar tot het allerlaatste najaar door. Het is raaigras wat de klok slaat. Critici hebben het over ‘groen asfalt’. Gebruiken het woord ‘landschapspijn’. Merken op dat akker- of weidevogels zeldzaam worden. Ik zeg niet dat het waar is. Of dat het klopt. Ik merk wel dat er tegenwoordig over wij en over zij wordt gesproken.

Terwijl het boerenbedrijf vroeger in het centrum van de samenleving stond, is het nu richting de buitenkant opgeschoven. En ik zie ook dat de overheid, ook de provincie Groningen, veel hectares natuur ontwikkelt. En dat in die nieuwe natuur de flora en fauna het hier en daar goed doen. Terwijl het op de hectares landbouw stiller wordt. Behalve op dit moment dan, want nu fourageren er massa’s ganzen op het land. Dat is de keerzijde van al die mooie natuurreservaten.

Het spontane contact met boerenbedrijven verdween voor een deel ook vanwege de voedselveiligheid. Om die reden moeten we tegenwoordig een overall aan, hoesjes om onze schoenen en een haarnetje op als we een kippenschuur in willen. Of bij varkens willen kijken. Als ik als kind ging spelen bij een vriendje op een boerderij, was dat behoorlijk anders. Voor mensen die niet op de boerderij werken, is zo de indruk ontstaan dat er achter gesloten deuren iets gebeurt dat je niet mag zien. Met andere woorden: grootschaligheid heeft zo zijn negatieve effecten. Misschien moeten we dat maar met zijn allen eerlijk vaststellen.

Biologisch

Tegelijk biedt de opvatting in consumentenland ook aanknopingspunten. Want een groeiende groep klanten is bereid om meer geld uit te geven aan eten. Bijvoorbeeld als het gaat om biologisch geteelde groente. En welke restaurants trekken volle zalen, ondanks de hoge prijzen? Dat zijn restaurants die lokaal voedsel op een ambachtelijke manier bereiden en met een moderne twist serveren. Voor prijzen waar u en ik van opkijken. Het kan dus best eens zo zijn, dat de markt er straks meer en meer zo uit komt te zien. Onze wereld wordt dank zij internet en de globalisering steeds kleiner. Maar de roep om veilig, lokaal geproduceerd voedsel neemt toe. Dat biedt kansen!

Zojuist gebruikte ik het woord biologisch. De provincie biedt boeren de mogelijkheid om zich te oriënteren op de biologische landbouw. Zodat ze een bewuste keuze kunnen maken of ze wel of niet willen omschakelen. En u hoort mij niet zeggen dat biologisch moet. Maar dat die afzetmarkt groeit en dat daar kansen liggen, is evident. Zo is het trouwens ook evident, dat de gangbare landbouw intussen veel schoner produceert dan vroeger.

Dat komt enerzijds doordat onze technische kennis en onze kennis van teelttechnieken nog altijd toenemen. Maar toch ook door de vraag vanuit de markt. Ik denk dat het voor iedereen een zegen is dat landbouwers vandaag veel minder kunstmest en bestrijdingsmiddelen nodig hebben. Voor hun eigen gezondheid. Voor hun eigen portemonnee. En voor ons allemaal.

Wat wel vanzelf de kant van de landbouw op komt, is veel regelgeving. De provincie gaat daar meestal niet over. Landbouw is immers vooral EU- en Rijksbeleid. Toch kan de provincie hier en daar wel accenten leggen. Vanuit die bescheidenheid werken we als provincie aan een landbouw die een gezonde economische basis heeft. Een landbouw die vooraan loopt als je denkt aan innovatie, dierenwelzijn, energie en milieu. Een landbouwsector die bijdraagt aan behoud van natuur en landschap en het vergroten van de soortenrijkdom in de natuur.

Want daarmee is wel wat aan de hand. Half oktober werd bekend dat uit een grootschalig Duits onderzoek blijkt, dat de insectenpopulatie – en ik heb het dan over de totale omvang, niet over soorten – in de afgelopen 27 jaar met driekwart is afgenomen. Volgens de Radbouduniversiteit in Nijmegen is er geen reden om aan te nemen dat dit in Nederland anders is. Maar wel dat de afname in de landbouw misschien nog groter is. Toen ik het las, dacht ik: ik heb inderdaad al jaren niet meer zoveel vliegen op mijn voorruit gehad, dat ik ‘m moest schoonmaken. De geleerden zijn het niet eens. In Wageningen hebben ze kritiek op de onderzoeksmethode. En nergens is een evidente oorzaak bekend. Maar er is volop reden tot zorg. Voor burgers, buitenlui en boeren. En om problemen te benoemen, te onderzoeken en te bestrijden.

Nieuwe perspectieven

Ik geloof niet in een tegenstelling tussen economie en ecologie. Niet in een tegenstelling tussen natuur en landbouw. Als er één sector middenin de natuur staat, is het juist de landbouw. Er is alleen een tegenstelling tussen korte- en lange termijn denken. En we kunnen ons anno 2017 geen korte horizon meer permitteren. De provincie probeert daar een handje bij te helpen, in de vorm van projecten die natuur-inclusieve landbouw een stapje dichterbij brengen.

Gedeputeerde Staghouwer en zijn medewerkers zijn met de sector aan het werk om bouwplannen te bevorderen die meer variatie kennen dan nu. En aan een combinatie van precisielandbouw en juist een wat bewust ‘slordige’ aanpak, door hier en daar een randje of strook juist niet te benutten – of een anders gewas te zaaien. Zo kun je insecten lokken, die vogels aantrekken en is er ook minder kunstmest nodig. Of hoef je niet meer diep te ploegen. We weten veel niet zeker. Maar zo is het altijd gegaan met innovatie. Je probeert iets op basis van wat je al weet. En soms lukt het. En even vaak zit het tegen en probeer je daarna iets anders. Samen komen we verder.

Wie door Oost-Groningen rijdt, ziet een gebied dat voor de landbouw is gemaakt. Voor de landbouw speciaal is ingericht. Zeker het kleigedeelte. Maar ook het veen in Oldambt. Veen, waarmee we de rest van Nederland voor het eerst van energie voorzagen. Na het veen werd er gas ontdekt en leverden we Nederland en allerlei landen van Europa gas. De gasbel bleek zo groot, dat we er onze welvaartsstaat mee konden opbouwen. En inmiddels zijn we volop bezig met een nieuwe manier van energie. Met groene energie, via de zon, via wind en met waterstof. En opnieuw denken we dat we hiermee de huizen en industrie in heel Nederland kunnen helpen. Al is er één verschil: we willen niet langer de flappentap van de Randstad zijn. We willen er zelf ook beter van worden.

Deze ontwikkeling kan ook van groot belang zijn voor de landbouw in onze provincie. Daarin hebben we een voorsprong op de rest van Nederland. Wij kunnen profiteren van de nabijheid van het chemiecluster in Delfzijl en rond Emmen. De chemische industrie is hard bezig met ‘vergroenen’, zoals zij dat noemen. Namens de provincie Groningen helpt gedeputeerde Patrick Brouns daar aan mee. Net als het Rijk, dat na het eerste faillissement van Aldel te hulp schoot. De landbouw hier kan zichzelf een enorme dienst bewijzen, als het deel gaat uitmaken van die vergroening. Door gewassen te telen waar de chemie behoefte aan heeft. Door te kijken wat landbouw en chemie samen met restproducten kunnen doen. Daardoor ontstaan regionale productieketens, die ook nog eens goed zijn voor het milieu.

En wat is er nou mooier dan je afzet zo om de hoek bij je in de buurt te hebben? We hebben een schitterende kans, om inhoud en betekenis te geven aan wat we in het Gronings wel ‘bio-based economy’ noemen. Want in de Innovatieagenda komen bedrijfsleven, onderwijs en onderzoek, agrarische producenten en de overheid bij elkaar.

Elkaar opzoeken

Ik vind het mooi om in goed gezelschap na te kunnen denken over de perspectieven voor de regio. Maar het is nog mooier dat de groep mensen die vandaag bij elkaar komt in het Boschhuis dat al lang doet! Wat een kracht hebben we hier. We hebben vijf jaar geleden al de toenmalige brede plattelandsagenda versmald naar een Landbouwagenda inclusief water en energie. Tanja Klip, de oud-voorzitter van de Stuurgroep Agenda Veenkolonien, noemde het ‘een smalle maar betekenisvolle agenda’. Een goede keuze op basis van een vooruitziende blik, want de afgelopen vijf jaar heeft de agenda voor de Veenkoloniën een stormachtige ontwikkeling doorgemaakt.

De Avebe is in deze agenda een grote speler. En ook de Avebe wil vergroenen. Eerst keken we in de agenda hoe we de opbrengst – in termen van zetmeelpercentages – per vierkante meter zo hoog mogelijk konden krijgen. Die zoektocht zetten we voort. Maar we kijken nu ook wat we nog meer met de aardappel kunnen doen. Met reststromen.

En het mooie is: de Avebe, dat is eigenlijk van alle boeren uit de buurt. De Avebe is immers een coöperatie, net als Cosun en net als Friesland Campina. De cooperaties leken uit de mode, maar ze zijn springlevend. Als het gaat om schone energie, zie je ze overal coöperaties ontstaan. Er zijn dorpscooperaties. En glasvezel- en zorgcooperaties. Ze komen als paddestoelen uit de grond.

De kracht van de coöperatie is dat de leden de baas zijn. Ook wanneer ze zien dat het anders moet dan tot nu toe. Cooperaties horen te zorgen voor de lange termijnbelangen van hun leden. Er is dus altijd reden voor een goed gesprek. Over biologische melk op de wachtlijst. Over andere dingen die je met aardappels kunt doen. Over hoogwaardige produkten voor de chemie.

Geen toekomst zonder boeren

Hoewel afgezaagde grappen bijdragen aan misverstanden over het ‘oudste beroep’, heeft de agrarische sector goede papieren. Wie op school goed heef opgelet, weet dat. We ontwikkelden ons van jagers-verzamelaars tot veehouders en akkerbouwers. En jagen en verzamelen zijn tegenwoordig hobby’s! Dus boer is het oudste beroep.

Je wordt het oudste beroep doordat je je steeds aanpast aan de eisen van de tijd. En met een wereldbevolking die binnen één generatie anderhalf keer zo groot wordt, met een planeet die kraakt in haar voegen, met een overbelaste natuur en grote zorgen om het klimaat, is dat bepaald uitdagend.

Het was een zelfbewuste bumpersticker met een diepe waarheid. ‘Geen toekomst zonder boeren’.Het was een oproep om in te zien wat we aan de agrarische sector te danken hebben. Want een wereld zonder boeren is ook in de toekomst ondenkbaar. Zonder boeren geen voedsel, zonder voedsel geen toekomst. Geen toekomst zonder boeren.

Het omgekeerde is ook waar: geen boeren zonder toekomst. We hebben er allemaal belang bij dat de landbouw zich ontwikkelt. Dat boeren zich kunnen ontwikkelen. Dat betekent niet perse dat er toekomst is voor ieder bedrijf afzonderlijk. Maar wel dat de sector zich kan ontwikkelen in een tempo dat past bij de huidige tijd. Dat we vorm geven aan de boerenbedrijven van de toekomst. En daarmee aan de toekomst van iedereen.

2 gedachten over “Geen toekomst zonder boeren”

    1. Dank dat u het CDA dat gunt! Maar met Mw. Schouten op de trekker komt het ook goed. Verder ben ik elke keer weer geraakt door de liefde die ik proef in deze stukken voor de mensen in Stad en pervinsie.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *