Gouwe Ouwe

In mijn agenda staat: ‘50 jaar Groninger kerken.’ Dat is natuurlijk het understatement van de eeuw! Sommige van onze kerken zijn bijna duizend jaar oud. Toch viel het me niet meteen op.

Misschien komt dat doordat ik ben opgegroeid in de Noordoostpolder. Een polder waar de dorpen op doordachte, regelmatige afstanden van elkaar liggen. Een afstand volgens de maatstaf die bij de aanleg van de polder gangbaar was: de fiets. Alle dorpen liggen dus op fietsafstand, in een kring rondom Emmeloord.

Alle dorpen hebben – of beter gezegd: hadden – ook minstens drie kerken. En drie scholen. In een door de mens ontworpen agrarisch landschap, aan de tekentafel. Met drie types boerderijen, met 12, 18 of 24 hectare grond. Bij hoge uitzondering kregen drie boerderijen 36 hectare – indertijd was dat echt heel erg veel.

De schoonheid van onze eigen Noordpolder en de Carel Coenraadpolder herken ik in één oogopslag: a manmade miracle.

Ik heb nog flink wat pioniers gekend. Flinke mannen en vrouwen die bezig waren hun bedrijf over te dragen aan hun kinderen. En die mooie verhalen konden vertellen over een geschiedenis die ze zelf hadden meegemaakt.

Ik heb veel door dat landschap gefietst. De kaarsrechte sloten en kavels. De eenvormige boerderijen. En ik ben er op gesteld: ik ben er opgegroeid. De schoonheid van onze eigen Noordpolder en de Carel Coenraadpolder herken ik in één oogopslag: a manmade miracle.

Wordingsproces

Als je in zo’n landschap groot bent geworden en de zondagochtenden altijd in een kerk uit de jaren ´60 hebt doorgebracht, kom je in een andere wereld terecht wanneer je gaat studeren in Groningen. Ik kreeg als eerstejaars rechten college in de Martinikerk. Mijn kerkgang is nooit meer op dat niveau gekomen!

Ook hier kun je goed fietsen – dit weekend deden honderden mensen dat tussen de wierden en de kerken op het Hogeland. Het is een landschap, waarin mensen 500 jaar voor Christus al op wierden wonen. Dan komt een polder die in 1942 is drooggelegd echt nog maar net kijken!

Het is allebei Nederland, maar toch heel anders. En dat andere zit ‘m ook in de kerken.

Natuurlijk zie je ook in Groningen de hand van de mens in het landschap. Maar onvoorstelbaar anders dan in het landschap van mijn jeugd. De polder is een ontwerp, in een aaneengesloten periode uitgevoerd. Groningen is echt gegroeid, is in de loop van meer dan duizend jaar stukje bij beetje geworden wat het is. Oeroud cultuurlandschap. Letterlijk monnikenwerk. Dat wordingsproces is in de Noordoostpolder eigenlijk nog maar net begonnen.

Het is allebei Nederland, maar toch heel anders. En dat andere zit ‘m ook in de kerken. Want Groningen is het gebied waar, zoals Marjoleine de Vos het in het prachtige boek ‘Ode’ zegt (ik mocht er alvast in lezen, want ik mocht het in ontvangst nemen), ‘elk vlekje een eigen kerk’ heeft. Alsof iemand met kerken heeft gestrooid zoals een kind hagelslag op zijn boterham doet. In alle eerlijkheid: ik ken kinderen die hun hagelslag zo doseren, dat de vergelijking mank gaat: de kerken zouden het hele Groninger platteland bedekken: lagen dik!

Gepuzzel

Elke vlekje een eigen kerk. Dat is een schitterende rijkdom, want veel van die vlekjes – als je er dichtbij bent – blijken een Romaanse kerk te zijn. Die we koesteren. Vanwege de veelkleurige kloostermoppen die gebruikt zijn. Vanwege hun iconische plek, hoog op de wierden met soms ernaast een schapenwei annex ijsbaan. Met de toren soms los van het gebouw, als indicatie van ambitie. Deze kerk had eigenlijk groter moeten worden. Maar de geschiedenis heeft er voor gezorgd dat het niet gebeurde.

Maar elk vlekje zijn eigen kerk is ook een gepuzzel. Ze werden gebouwd als samenbindende elementen van hun dorpen. Een kerk voegde wat toe aan je wierde. Belangrijkheid. En contact met de Allerhoogste. Zo bezien is de kerktoren van de Pancratiuskerk in Godlinze familie van de toren van Babel!

Zodat de kerk, althans het gebouw, een middelpunt van de gemeenschap blijft.

Tegenwoordig hebben kerken een andere maatschappelijke betekenis. Veel kerken komen leeg te staan. We leven in een tijd, waarin we keuzes moeten maken: wat willen we behouden, en wat niet? Of anders gezegd: welke kerk kunnen we wel behouden, en welke niet.

Voor de Stichting Oude Groninger Kerken is dit de kernvraag. De rest is een afgeleide. En met de antwoorden die de stichting op deze vraag geeft, kunnen we eigenlijk alleen maar elke dag blij zijn. Niet alleen door de kennis en kundigheid waarmee de stichting kerken restaureert. Maar ook de inventiviteit om er samen met omwonenden een nieuwe bestemming aan te geven. Zodat de kerk, althans het gebouw, een middelpunt van de gemeenschap blijft. Zodat ook wij deze rijkdom kunnen overdragen aan een volgende generatie.

Hoofd en hart

Ik mocht laatst een expositie openen in het kerkje van Saaxumhuizen. Ook dat is onder handen genomen door de stichting. Ik zei toen dat een kerk, ook als er niet meer wordt gekerkt, toch altijd een mystieke plek blijft. Door de eeuwen heen hebben inwoners van Groningen er hun gebeden uitgesproken. Hebben zij het woord tot de Heer gericht. Hebben zij voornemens gemaakt, beloftes afgelegd, boete gedaan, zijn ze tot inzichten gekomen. Zijn mensen herdacht en nieuwe levens gedoopt. Is, kortom, geleefd, gevierd en getrouwd en gerouwd.

Maar het is meer dan sfeer. Het is ook concreet tastbaar, zichtbaar en voelbaar. In de afgesleten vloer, door de voetstappen van zoveel mensen. Door het zilverwerk, gedoneerd door die ene vermogende familie uit de buurt. Door een schilderij, het gerestaureerde orgel en de fresco’s die je nog kunt zien of alleen nog maar kunt vermoeden.

De stichting komt al een halve eeuw als geroepen. Lang zal ze leven.

Het is ook, zoals opnieuw Marjoleine de Vos schrijft, doordat een kerk zo vaak een lappendeken van ingrepen en ingreepjes is. Een kerk dus, die doorleefd is, waar mensen in verschillende tijden, op verschillende manieren zo ontzettend hun best op hebben gedaan. Die een plek heeft in ons landschap, in ons hoofd en in ons hart. Wij zijn de eersten niet. En naar wij hopen niet de laatsten. De onzekerheid die in onze hoop besloten ligt, wordt beantwoord door de Stichting Oude Groninger Kerken.

De Stichting bestaat nu 50 jaar. Ze viert dus haar gouden jubileum. En ja, er moeten nog altijd kerken worden gered. En onderhouden. En beheerd. Een rustig bezit is het niet. Maar het is wel een geruste gedachte dat er één gouwe ouwe is, die opkomt voor het kostbaar, breekbaar erfgoed dat oude Groninger kerken zijn. De Stichting komt al een halve eeuw als geroepen. Lang zal ze leven. En van harte gefeliciteerd!

Dit Paasrapport is ook te lezen in magazinevorm.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *