Gebakken erfgoed


Als je …

• 308 pagina’s over kloostermoppen in Groningen schrijft

• daarvan drie pagina’s inruimt voor een verklarende woordenlijst;

• één bladzijde nodig hebt om alle mensen en instellingen te bedanken die je benaderd hebt;

• één pagina met verantwoording van de foto’s opneemt;

• zeven bladzijdes gebruikt om je bronnen en geraadpleegde literatuur te melden;

• voor je voetnoten zes pagina’s opsoupeert;

• voor vijf bijlages als toetje zeven volle pagina’s nodig hebt;

• negen bladzijdes uittrekt voor de inventarisatie van de vindplaatsen kloostermoppen in de stad Groningen, allemaal aangegeven in lengte-, breedte- en hoogtematen;

• en 21 voor de vindplaatsen in de provincie Groningen…

Als je bij de kloostermoppen zelf diepgaand ingaat op aspecten als:

• het bakproces

• de formaten van een kloostermop (in Holland, Utrecht en Zeeland zijn de moppen kleiner dan bij ons)

• de kleurvorming

• de kleisamenstelling en de kleisoorten (magere klei, vette klei, kalkrijke klei kalkarme klei, lichte klei, zware klei, jonge klei, oudere klei, met vochtig of juist droog zand er bij)

• de chemische samenstelling van de mop

• de kalkmortel, inclusief antwoord op de vraag welke schelpen in die mortel zijn verwerkt…

Als je alle kerken en kloosters bespreekt… En dan niet alleen de gebouwen die er nu nog zijn, maar ook alles waarvan we weten dat het er niet meer is…

Als je daarvan de stijlkenmerken behandelt, de planvorming – en daarin zes verschillende vormen kunt onderscheiden…

Als je alle types, alle bouwstijlen, plattegronden inclusief maatvoering benoemt. En ook aangeeft welke plantjes en mossen erg van kloostermoppen en de gebruikte mortel houden…

Als je dit alles beschrijft met een passie en bezetenheid die eerdere boeken over dit onderwerp vrijwel doen verbleken…

Standaardwerk

Als je dat allemaal hebt gedaan… Kunnen we dan zeggen dat je een nieuw standaardwerk hebt gemaakt? Ik vond van wel. En oogstte applaus van de aanwezigen in de Abdijkerk in Aduard, alleen al door die vraag te stellen. Ja, dit is een nieuw standaardwerk.

De aanwezigen begrijpen inmiddels dat ik deze opmerking met een korreltje zout neem.

Het enige dat ontbreekt, is feitelijk de traditionele afsluiting van wetenschappelijke werken zoals je die in proefschriften altijd aantreft. Dat verdere studie van dit onder­werp nadrukkelijk aanbeveling verdient. Maar de schrijvers van dit indrukwekkende boek, Edward Houting en Hans Vrijer, hebben daar hun eigen draai aan gegeven. ‘Wij hechten er aan op te merken’, schrijven zij, ‘dat wij geen volledigheid van de inventarisatie van kloostermoppen in deze studie nastreven.’

De aanwezigen in de voormalige ziekenzaal van het klooster begrijpen inmiddels dat ik deze opmerking met een korreltje zout neem. Al begrijp ik hun voorbehoud wel, want inderdaad: er wordt bijna elke maand wel iets gevonden door bouwhistorici, beroeps- en amateurarcheologen. Die vondsten maken dat het werk eigenlijk nooit af is. Maar mijn beeld is toch dat Vrijer en Houting het meeste over de kloostermoppen nu wel hebben gezegd.

Mocht ik door mijn opsomming de indruk hebben gewekt dat ‘Kloostermoppen’ een saai, stijf wetenschappelijk boek is geworden, dan heb ik het niet goed gedaan. Want dat is beslist niet aan de hand. De teksten zijn prettig toegankelijk. Voor je het weet wordt je als lezer de wereld ingetrokken die Vrijer en Houting zo minutieus hebben verkend. Van de kloosters, de landwinning, de overgang van tufsteen naar de kunst van het stenen bakken. Een ontdekking die voor de enorme rijkdom heeft gezorgd, waar we ook vandaag de dag nog van kunnen genieten. Wie op zoek is naar romaanse kerken, moet niet naar Italië. Ze zijn veel dichter bij huis te vinden. Als hagelslag door ons landschap gestrooid. Kerken die ik beschouw als een sieraad om te koesteren.

Monnikenwerk

De schrijvers leggen aan de aanwezigen uit hoe ze te werk zijn gegaan en wat een enorme revolutie het bakken van bakstenen betekende. Je hoefde vanaf dat moment geen natuursteen meer te importeren, maar je kon stenen kerken en huizen maken van Groninger klei. De verhalen die Vrijer en Houting houden, laten zien met hoeveel liefde voor het onderwerp ze hun boek hebben geschreven. Er zit zichtbaar ongelooflijk veel tijd in. Het is wat je noemt monnikenwerk geweest.

Ik durf de twee auteurs dan ook eigenlijk niet te vragen wat dit met hun familie en relaties heeft gedaan. Bij proefschriften zie je wel, dat de promovendus zijn directe omgeving bedankt voor het geduld en het begrip voor de veelvuldige afwezigheid. Dat onderdeel ontbreekt in deze studie. Maar het zou meer dan gerechtvaardigd zijn, denk ik, als dat wel was gebeurd.

Ik krijg van de schrijvers het zware boek. We poseren geduldig voor de foto. Ondertussen weeg ik het werk in mijn hand. Minder zwaar dan een kloostermop, maar nog steeds gewichtig. Ik geloof dat hier de Latijnse woorden ‘Magnum Opus’ van toepassing zijn.

Eén gedachte over “Gebakken erfgoed”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *