Mag ik dan bij jou?


Preken zijn bij ons thuis de afdeling van mijn echtgenote. Die heeft er voor geleerd. Toch vond ik het mooi om in te gaan op de uitnodiging van de Remonstrantse kerk in Groningen om in de kerkdienst van vanmorgen de ‘Preek van de leek’ te houden. Het werd een verhaal over ‘noaberschap’, een onbarmhartige Samaritaan en over het carpacciomodel van christendom.


Vorige week vrijdag was ik in Ter Apel. Het was de vrijdag voor het weekend waarin ‘Alternative für Deutschland’ de Bondsdag zou binnenkomen. En ik zat in Het Boschhuis met een brok in mijn keel te luisteren naar de kinderen van de ‘Interschool’ van het AZC. 

Ik had ze al eerder ontmoet. Kinderen die al veel meer hebben meegemaakt dan goed is voor een kind. Vaak zijn ze er maar een paar weken. Ik kreeg er diep respect voor het onvermoeibare optimisme van de leerkrachten. De kinderen zongen in opvallend verstaanbaar Nederlands het liedje van Claudia de Breij: Als de oorlog komt en als ik dan moet schuilen, mag ik dan bij jou?

Wie is mijn naaste?

Het verhaal van de Barmhartige Samaritaan raakt het hart van het evangelie: Wie is mijn naaste? Een wetgeleerde stelt Jezus een vraag. Als kind leerde ik dat het een list was. Kijk, die valse Farizeeër wil Jezus te pakken nemen! Gelukkig is Jezus slimmer. Kijk maar hoe handig hij hem ontwijkt! Maar het gaat hier niet om verbaal judo. Dit is wat Joodse wetgeleerden ook vandaag nog doen: ze houden een leergesprek. 

De één: ‘Rabbi, wat moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwig leven?’ Het antwoord is een vraag: ‘Wat staat er in de wet? Wat leest u daar?’ Weer de één: ‘Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw kracht en met heel uw verstand, en uw naaste als uzelf’. Waarop de ander: ‘U hebt juist geantwoord! Doe dat en u zult leven’.

Dit was het moment waarop wij op de lagere school de wave inzetten. Eén nul voor Jezus! Te vroeg. Nu begint het pas. ‘En wie is mijn naaste?’ Dat is geen flauwe vraag van de wetgeleerde om alsnog zijn gelijk te halen. Het is de kern van de zaak. Je kon deze vervolgvraag zien aankomen. Want iedereen wist hoe je je naaste moet behandelen. Maar wat dat was, een naaste, daarover was discussie. Iemand uit je eigen volk is het zeker. Maar een vreemdeling dan? En mag je dan ook eisen stellen? Bijvoorbeeld dat ze eerst de taal leren, geen verkeerde godsdienst aanhangen en besneden worden?

Wie is mijn naaste? Jezus vertelt een verhaal om antwoord te geven op die vraag. Een verhaal over een brute beroving. Het slachtoffer ligt gewond langs de weg. Er lopen twee mensen met een boog omheen. Mensen die beter hadden moeten weten: de priester en de leviet kennen de regel van naastenliefde. Gewoon doorlopen, mensen!

En dan is er iemand die niet doorloopt. Iemand met een dubieuze achtergrond. Een Samaritaan. Die krijgt medelijden. En hij redt een leven. ‘Wie van deze drie is naar uw mening de naaste geworden van het slachtoffer van de rovers?’, vraagt Jezus zijn collega. Die antwoordt: ‘De man die medelijden met hem heeft getoond’. En Jezus zegt: ‘Doet u dan voortaan net zo.’

Noaberschap

De oervorm van de sociale zekerheid is de verplichting om te zorgen voor de leden van je gemeenschap. In Groningen, Drenthe, Twente en stukken Duitsland noemen we dat ‘noaberschap’. Je kunt je afvragen of dit barmhartigheid is. Want de eeuwenoude burenplicht is immers wederkerig. Maar wie zich verdiept in noaberschap komt ineens bekende vragen tegen.

Zoals de vraag: ‘Wie is mijn noaber?’ Op de boerderij van mijn vader, in Borger, kenden ze het antwoord zonder aarzelen. Wie regelt je planten, je kranten en je huisdieren als je weg bent? Wie helpt je als je ziek bent? En wie weet wat er moet gebeuren als je trouwt of overlijdt, of erger, als je vijftig wordt? Dat regelt je ‘noaste noaber’. Dat is – las ik op Wikipedia – de buurman aan de kant waar je voordeur zit.

Toen vorig jaar de laatste winkel in Sauwerd sloot, was dat een ramp voor het dorp. En dus kwam er actie! Vrijwilligers gingen langs de deuren om leden te werven voor een dorpscoöperatie. Driekwart van het dorp werd natuurlijk lid. Vrijwilligers runnen nu de winkel. Ze maken een praatje aan de koffietafel. Ze ontmoeten dorpsgenoten. Om nieuwtjes uit te wisselen. Om ideeën op te doen. Om samen nieuwe plannen te maken. De winkel is een lanceerplatform voor noaberschap. De winkel is ook voor de inwoners van Sauwerd een reden om de toekomst weer met vertrouwen tegemoet te zien.

Net als in Garnwerd, dat deze week een prijs won omdat de inwoners zelf de krimp en de aardbevingen te lijf gaan met prachtige culturele evenementen. `Garnwerd, iets boven Groningen´ noemen ze het zelfbewust. 

Vertrouwen begint zo vaak met zelfvertrouwen.

De schreeuw

‘Wie is mijn naaste?’, vraagt de wetgeleerde. En hij verwacht waarschijnlijk een antwoord als: dát soort mensen. Mensen die voldoen aan deze voorwaarden. Mensen die zus en zo zijn. Maar dat antwoord komt niet.

‘Die schreeuw, dat is tien jaar ellende. Tien jaar schuldhulpverlening. Tien jaar met je bakkes tegen een betonnen muur aanlopen.’

Aan het woord is Shalana Bosmans. U bent haar waarschijnlijk vergeten. Maar haar foto haalde twee jaar geleden alle kranten. Ze was één van de schreeuwers die in Steenbergen een informatiebijeenkomst over asielzoekers verstoorden. Trouw interviewde haar de zaterdag erna. En ze zette me aan het denken.

Eigenlijk was ik al afgehaakt na de foto. Dat Nederland dít gezicht liet zien aan mensen die zo veel hebben meegemaakt! En toen dus dat interview, waarin ze haar verhaal vertelde. Een levensgeschiedenis vol verdriet. Met foute keuzes en stomme pech. 

Shalana Bosmans vertelt wat ze ziet. Dat het gehandicapte kind van haar vriendin steeds slechter wordt geholpen. En dat niemand helpt als je schulden hebt. En dat zij dus maar mensen is gaan helpen. Ze maakt zich zorgen over haar dorp. Ze wantrouwt alle politici. Hoe kan de overheid die zo slecht voor de mensen zorgt, ook nog eens vluchtelingen plaatsen in haar dorp? Een Samaritaan met twee gezichten: barmhartig en onbarmhartig. En daardoor moeilijk te hanteren. 

Veel mensen zijn bezorgd. Ze hebben van dichtbij gezien hoe weinig garanties er bestaan. Er zijn geen vaste banen meer of waardevaste pensioenen. Je staat op de wachtlijst voor een huis, maar anderen krijgen steeds voorrang. Of je bent gevangen in je hypotheek. Je hebt aardbevingsschade die na langdurig onderzoek niet wordt vergoed. Je hebt zorg nodig en krijgt die niet.

Het credo van de verzorgingsstaat én van noaberschap was: je staat er niet alleen voor. We laten je niet zakken. Maar bijna iedereen kent de verhalen over instituties die niet thuis geven als je ze nodig hebt. En de buren al evenmin. Ze schreeuwen omdat we niet luisteren. De overheid niet. De anderen niet. Wie is hun naaste?

Carpacciomodel

‘Wie is mijn naaste?’, vraagt de wetgeleerde. Zoals altijd komt het in de bijbel aan op scherp luisteren. Want Jezus draait de vraagstelling om. ‘Wie is de naaste geweest van deze man?’ Want de vraag in dit verhaal is niet: ‘Wie is mijn naaste?’ De echte vraag is: ‘Van wie ben ik de naaste?’

Dat is niet nieuw. Aan het einde van het boek Deuteronomium wordt de wetgeving van het Oude Testament afgesloten. Daar staat: ‘De geboden die ik u vandaag heb gegeven, zijn niet te zwaar voor u en ze liggen niet buiten uw bereik (…). Nee, het woord is dicht bij u, in uw mond en in uw hart. U kunt het dus volbrengen.’ 

Niemand kan de hele wereld redden. Maar iedereen kan iets doen. Niet iedereen is een Samaritaan. En niemand is altijd barmhartig. Maar we hebben wel elke dag een kans om een stap te zetten. Niemand kan de hele wereld redden. Maar iedereen kan iets doen. Dat is het carpacciomodel van Christendom: een grote taak opeten in dunne plakjes. Wie elke dag een boom plant, laat een bos na. Wie één mens helpt, redt de wereld. Voor ieder mens kun je een naaste worden. Iedereen die op je weg komt. Die je nodig heeft. Voor wie jij de laatste hoop bent.

Waar begint een betere wereld?

Het debat over de rolverdeling tussen overheid en samenleving is al zo oud als de politiek. Er zijn betere plaatsen dan een kansel om daaraan een bijdrage te leveren. Maar het is onomstreden dat de overheid kansloos is zonder de inzet van mensen zelf.

Waar begint een betere wereld? Een betere wereld begint bij 15 studenten in de Oosterparkwijk die een kerstdiner organiseren voor eenzame buurtgenoten. Hij begint bij de inwoners van Noordbroek die zorgcentrum Gockingaheem open houden als de zorgaanbieder er mee stopt. Omdat ze goede zorg willen voor de mensen in hun eigen omgeving.

Hij begint bij de ondernemer die het avontuur aangaat om iemand in dienst te nemen die niet de ideale werknemer is. Omdat hij zelf een autistisch neefje heeft.

Hij begint bij een groepje vrijwilligers dat een ‘eat and greet’ organiseert voor vluchtelingen die zijn ondergebracht in een pand aan de Van Swietenlaan. Omdat ze menselijk willen zijn.

Hij begint ook bij de Open Hof, waar kerkelijke vrijwilligers al decennia laten zien dat ze er willen zijn voor de mensen die de maatschappij liever niet wil zien.

Groningen barst van de betrokkenheid. Mensen die in actie komen omdat ze betrokken zijn. Van wie ben je de naaste? Van de mens met wie je bent begaan. Van de mens bij wie je stilstaat. Van de mens voor wie je iets doet.

Mag ik dan bij jou schuilen, als het nergens anders kan? En als ik moet huilen, droog jij m’n tranen dan? Want als ik bij jou mag, mag jij altijd bij mij. Kom wanneer je wilt, ‘k hou een kamer voor je vrij.

Doe dat en je zult leven.

(Preek van de leek in de Remonstrantse kerk in Groningen. Lezingen: Deuteronomium 30:11-14; Lucas 10:25-37)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *