Snakken. Als ik niet oppas, wordt het een gewoonte.


Deze week alleen al hield ik twee keer een toespraak over ‘snakken’. Gisteren bij de Commerciëele Club. En maandagavond in Brussel. De zaal in Brussel was afgeladen. We hadden een uitverkocht huis. En eerlijk is eerlijk: de meeste mensen hadden het ook wel verstaan als ik het in het Nederlands had gedaan.
Er waren veel Noord-Nederlanders. Maar mijn toespraak was in het Engels, speciaal voor de anderen, die onze gast waren bij de 24 uur van Noord Nederland. We zijn vast niet de eerste regio die zich in Europa presenteert met het woord ‘innovatie’. Het woord is nogal in de mode. Maar het is goed om te bedenken dat innovatie nooit zomaar gebeurt. De paradox van innovatie is dat er traditie voor nodig is. Een traditie van kennis. Een traditie van oude oplossingen die het ineens niet meer doen. En een traditie om samen iets beters te verzinnen.  

Dus wanneer wij zeggen dat we in Noord Nederland door innovatie willen bijdragen aan meer werk en een betere kwaliteit van leven, dan is dat geen tekst uit de clichémachine van beleidsmakers. Wie geen problemen heeft, kan niet uitblinken met oplossingen. En wie onvoldoende kennis heeft, ziet zijn vernieuwingspogingen stranden. Het zegt dus iets dat Noord Nederland een Europese voorbeeldregio is voor ‘biobased economy’ en groene chemie. En dat we in Europa op eenzame hoogte staan met onze kennis van gezond oud worden (ook in Nederland spreken we tegenwoordig van ‘healthy ageing’). 

Er zijn dus problemen nodig, maar ook deskundige mensen en kennisinstellingen. De habitat van nobelprijswinnaars, zal ik maar zeggen. En als we dan oplossingen vinden, dan zijn die niet alleen bij ons bruikbaar, maar in de hele wereld. Noord Nederland blinkt uit in innovatie op het gebied van gezond voedsel en schoon water. En dat komt doordat we een enorme traditie hebben in voedsel en water. En doordat we zien dat het anders moet. De hele wereld kan daarvan profiteren. 

Zo zijn er een heleboel stoere verhalen te vertellen. Ik ontdek er elke week wel een paar. Bij de Commerciëele Club besprak ik een paar opvallend goede Groningse bedrijven. Ik zag mensen enthousiast kijken. Dus ik vroeg hoeveel mensen regelmatig ‘snakken’ (goed Gronings voor ‘opscheppen’) over hun bedrijf. Aarzelend gingen drie handen omhoog. Bij ambtenaren had me dat niet meer verrast. In de wereld van de sociale diensten was het antwoord altijd: “Wij scheppen niet op, wij helpen mensen”. Maar hier ging het over ondernemers. Mensen die met overtuiging en energie aan een bedrijf waren begonnen. Mensen die van hun passie hun beroep hadden gemaakt. Ik vroeg hoe het kwam. Een mevrouw zei: “Dat komt door het woord: snakken. Dat is lelijk. Dat doe je niet.” 

Inderdaad. Het waren ondernemers, maar Groninger ondernemers. Als je met de paplepel ingegoten krijgt dat bescheidenheid een deugd is – en dat is zo bij de meeste Noorderlingen – dan is snakken niet goed. “Weet je moeder wel dat je dat doet?” Ongegeneerd opscheppen, dat doen ze misschien in andere delen van het land. Maar niet hier. 

We doen onszelf daarmee tekort. Als onze kwaliteiten en prestaties ons best bewaarde geheim vormen, dan kunnen we anderen niet kwalijk nemen dat ze ze niet zien. “Be good and tell it”, noemde ik het in Brussel. En daar is volop reden voor. 
Want om eens in het onvervalst Gronings te snakken: ’t Kon minder! Echt waar.