Visie op de Veenkoloniën: wat willen we zelf?

Koloniaal

Vorig jaar om deze tijd mocht ik het boek ‘De Gaskolonie’ in ontvangst nemen. Margriet Brandsma en twee van haar NOS-collega’s hadden het geschreven. Ik vond de titel goed getroffen. Het boek maakte de vraag relevant wie er eigenlijk de baas is in Nederland. En van een deel van Nederland stond eigenlijk wel vast dat de mensen die er woonden niet de baas waren. De titel van het boek maakte me gevoelig voor het woord ‘kolonie’. Dat is een gebied waar je de dienst uitmaakt en dat je exploiteert

De Veenkoloniën waren een kolonie: een gebied waar een ander de dienst uitmaakte. Oude kerken – in Oude Pekela en in Sappemeer – dragen het stadswapen van Groningen. En ‘de senaat en het volk van Groningen’, in het latijn dat begin 17e eeuw in de mode was. De eerste visie voor de Veenkoloniën werd gemaakt aan de Grote Markt. Er moesten rechte kanalen komen om turf naar de stad te kunnen verschepen. En er moesten stroken moerasgrond worden uitgegeven aan pachters die daar turf konden laten steken. Stadsstaat Groningen was de eigenaar, schreef de verordeningen, inde de pacht en deelde de lakens uit. Dat bleef zo tot in de vorige eeuw.

Moederstaal

Ik ben niet letterlijk een veenkoloniaal. Ik heb hier nooit gewoond. En Groninger werd ik pas in mijn studietijd. Toch kom ik hier bijna ‘weg’. Mijn moeder komt uit Gieterveen. Aan de andere kant van de Semslinie. Maar uiteraard net zo veenkoloniaal. De taal die zij spreekt met mijn tantes uit Stadskanaal is onverdund Gronings. Opa en Oom Jan – de oudste broer van mijn vader – verbouwden in Borger fabrieksaardappels voor de Avebe. Ik vond dat bijzonder: reusachtige aardappels die oma niet gebruikte bij het eten. En ik wist al jong hoe het rook bij de fabriek waarin ze verwerkt werden. Mijn vrouw groeide op in Veendam en Nieuwe Pekela. Ze ging naar dezelfde middelbare school waar één generatie eerder mijn vader ook heen ging: het Ubbo in Stadskanaal.

Toen ik in 1996 wethouder van Openbare Werken werd, hoorden de ‘stadsbezittingen’ daarbij. Zo leerde ik de streek die ik al kende uit mijn jeugd weer op een heel andere manier kennen. Het leidde tot leuke gesprekken in familiekring over stadsmeierrechten. En minstens zo aardige gesprekken met collega-wethouders over de overdracht van stadswegen. Kortom: de Veenkoloniën spelen een belangrijke rol in mijn leven. De mensen en het landschap zijn onderdeel van mezelf geworden.

Visie? Ik ben nu ruim een jaar commissaris van de Koning in Groningen. Maar ik zat hier nog maar net, toen ik benaderd werd om een inleiding te komen houden. Gevraagd werd mijn ‘visie op de Veenkoloniën’. De eerste keer ging niet door omdat er iets tussen kwam. En dat bespaarde mij een optreden met een visie die volledig van anderen was geleend.

In het afgelopen jaar heb ik volop de gelegenheid gehad om mijn beelden bij te stellen. Ik bracht ambtsbezoeken aan Pekela, Stadskanaal en Veendam. Ik bezocht de Avebe en Nedmag, Wedeka en Synergon. Ik deelde het predikaat ‘hofleverancier’ uit aan Wieringa’s knappertjes uit Wildervank. Ik reikte een prijs uit voor een oorlogsmonument in het Veenkoloniaal museum. Allemaal gelegenheden om in gesprek te gaan en daardoor mijn beeld van de Veenkoloniën bij te stellen. Maar nog steeds vind ik ‘visie op de Veenkoloniën’ een ambitieuze titel. En als ik niet uitkijk, klinkt een visie al snel koloniaal!

Over ons en zonder ons

De Veenkoloniën komen maar mondjesmaat in het nieuws. Dat is niet per se verkeerd. Want als je het nieuws haalt, is er vaak iets aan de hand. Maar eind oktober was het raak. Rieks van der Wal, de directeur van Staatsbosbeheer – hij woont ook in de Veenkoloniën – had een zware week. Zijn organisatie maakte excuses toen ze samen met een aantal natuurorganisaties een ambitieus plan had gepresenteerd. Ze stelden voor om 30.000 hectare bos te planten in de Veenkoloniën. Met de productie van eigen hout zou Nederland gemakkelijker de klimaatdoelstellingen kunnen halen.

De reacties waren woedend. Want wat deed het pijn. Als anderen over de streek waar jij woont zeggen: plant er maar een bos op. Daar zit het niemand in de weg. Er woont bijna niemand. Op zulke momenten merk je dat mensen gehecht zijn aan hun streek, hun leefomgeving. Hun geboortegrond. Dat doet pijn, zoals het pijn doet wanneer je woon- en leefomgeving steevast de verkeerde lijstjes aanvoert. Ik denk aan armoede, aan werkloosheid, aan krimp. In de Veenkoloniën vond een grootschalige herinrichtingsoperatie plaats. Maar om nou te zeggen dat die alle problemen heeft opgelost, is overdreven. De problemen zijn hardnekkig en dateren echt niet van vandaag of gisteren. En het doet pijn wanneer gebiedsadviseurs Bert Middel en Gerard Kremer in hun snoeiharde analyse ‘Kört veur de kop’ de vloer aanvegen met de samenwerking tussen gemeenten op het gebied van werkgelegenheid. Zo wil je niet in de krant.

Maar de benadering ‘laten we er maar een bos op planten’ is om vijf redenen verkeerd. Het is over ons en zonder ons. En daarmee koloniaal denkwerk. Het doet geen recht aan de betekenis van het huidige gebruik van de grond. Het miskent de kwaliteit van de streek. De liefde voor dit Groninger landschap. Het miskent het noaberschap dat het tv-programma Brandpunt in beeld bracht, in de aanloop naar de verkiezingen. De verslaggever was opgegroeid in Musselkanaal. Maar hij kon het zelf nauwelijks geloven. Mensen geven om hun dorp en zetten zich in voor elkaar. Dat is een zeldzame kwaliteit.

In mei vorig jaar schreven studenten van de Rijksuniversiteit over iets dat zo gewoon lijkt dat het hier bijna niemand opvalt. Hier in de Veenkoloniën ligt een stelsel van wijken en kanalen van meer dan 7000 kilometer. Dat betekent dat we hier misschien wel het grootste kunstwerk ter wereld hebben. Ik heb het even opgezocht: de Chinese muur haalt die lengte niet. Het illustreert de omvang van de Veenkoloniën. En het mag van mij best werelderfgoed worden.

Die kaarsrechte kanalen zijn gegraven voor de turfwinning. De eerste keer dat heel Nederland warm werd van energie uit Groningen. En ook de eerste keer dat energievoorziening blijvende sporen achterliet in het landschap. De landbouw in de Veenkoloniën bestaat dankzij het afgraven van meters veen. Het creëerde werk en warmte. En het veranderde het landschap voorgoed.

Een sterk verhaal

Rein Jan Hoekstra is nog best druk voor een gepensioneerde. Je zou het niet zeggen als je hem in een beige regenjas ziet fietsen, maar hij is een invloedrijke man in Den Haag. Hij was topambtenaar en lid van de Raad van State. Hij was kabinetsinformateur en voorzitter van een aantal commissies Hoekstra. Ook Hoekstra komt ‘hier weg’. Hij ging naar de school van mijn vrouw en mijn vader. In Stadskanaal. Naar Ubbo.

Onder zijn voorzitterschap kwam de ‘Commissie Structuurversterking Veenkoloniën’ in 2001 met een rapport. Hoekstra is bovengemiddeld betrokken bij het lot van de Veenkoloniën. Maar zijn analyse was flinthard. De Commissie Hoekstra noemde drie kernproblemen: de eenzijdige gerichtheid op de landbouweconomie. De afhankelijkheid van subsidies. En het slechte imago.

We zijn nu zestien jaar verder. Hoe staat het er voor? Nog steeds is de landbouw van grote betekenis. Vanaf 2011 heeft de Agenda voor de Veenkoloniën eerst een aantal jaren ingezet op een breed plattelandsprogramma. Maar de laatste jaren is de focus verlegd: het programma richt zich op vernieuwing en verduurzaming van de landbouw. De Europese Unie dwingt ons daartoe. En de landbouw hunkert ernaar: slechts vernieuwing kan behouden.

Innovatie

De agenda zet het zoeklicht op de landbouw, maar combineert dat met water en energie. Dat leidde in 2012 tot een intensieve samenwerking tussen het agrarische bedrijfsleven, de kennisinstellingen en de overheden in de regio. Op die manier is een uniek samenwerkingsverband ontstaan. ‘Innovatie Veenkoloniën’. Een sterk en veerkrachtig agrarisch netwerk, in de traditie van de Veenkoloniale Boerenbond, de Avebe en de Cooperatieve Suikerfabrieken van ruim een eeuw geleden.. Een samenwerkingsverband van ondernemers, onderwijs- en onderzoeksinstellingen en overheden. Een bundeling van activiteiten om de agrarische sector duurzaam en vitaal te krijgen.

Inspirerend hoe oude samenwerkingsmodellen opnieuw leiden tot innovatie. Een eigen mooie plek op de proefboerderij in Valthermond. Een goed gevulde portemonnee: ruim 40 miljoen euro. Kortom: dit gaat ergens over. Het is nog steeds gericht op de landbouw, maar het is enorm vernieuwend. Innovatie Veenkoloniën is erkend als ‘icoonproject’ in de agro agenda Noord-Nederland.

Subsidiegedreven? Landbouw gaat nog steeds gepaard met subsidies. Maar over een paar jaar, in 2020, wil de sector onafhankelijk zijn van steun van de overheid. En ik ben er van overtuigd dat het gaat lukken.

Hoekstra noemde als derde probleem voor de Veenkoloniën het slechte imago. En natuurlijk: als er grote problemen zijn, helpt dat niet altijd om een positief imago te krijgen. Maar hier zet de agrarische sector een sterk verhaal neer. Een verhaal over innovatie en verduurzaming. Over samenwerking met alle relevante partners en volle steun van beide provincies, gemeenten en waterschappen in de Veenkoloniën. En ik denk dat dat inspireert.

Henk ter Borg was een boer in Borgercompagnie. En hij had een goed oog voor landbouwgereedschap dat door de nieuwe tijd werd ingehaald. Hij had het nog net gedaan: maaien met een zeis. Dorsen met een dorsvlegel. Zaaien met een zaaiviool. Maar in zijn bedrijf heerste de vooruitgang. Hij speelde in op de nieuwe tijd. Hij bewaarde het verleden in een schuur. Hij begon met een gemengd bedrijf en eindigde als akkerbouwer. En hij legde een verzameling aan van landbouwgereedschap uit de periode 1850-1950. Ik vind het bijzonder om een project over duurzaamheid te mogen openen vlakbij de collectie van Henk ter Borg.

Over ons en zonder ons

Dat bos uit oktober was natuurlijk goed bedoeld. Het was bedacht als een bijdrage aan duurzame doelstellingen. Maar het idee werd zomaar gedropt. Over ons en zonder ons. Bedacht door mensen uit de randstad. En dat zorgde ervoor dat het idee niet lang bestond. Als je iets wilt, kun je beter samen bekijken wat kan en wat niet. Wat nodig is en wat wenselijk. Dat geldt niet alleen voor bossen. Het geldt ook voor de infrastructuur voor de nieuwe energie. Windmolens en zonnecollectoren. Hoogspanningsleidingen en gasbuizen. Cavernes voor opslag en fabrieken voor de bewerking.

Groningen heeft een bijzondere motivatie om in te zetten op de energietransitie. We merken aan den lijve wat de nadelen zijn van aardgaswinning. Er valt met ons een gesprek te voeren. En daarbij zullen wij de vraag stellen: wat levert het ons op? Opnieuw zal de energievoorziening het landschap veranderen. Het begon met het kappen van bomen en het afgraven van het veen. Het ging verder met boortorens en verwerkingslocaties voor aardgas.

Niemand zal betwisten dat Groningen voor Nederlandse begrippen veel ruimte biedt. Als je een plek zoekt voor een bos, is het niet onlogisch dat je hier uitkomt. Dat geldt ook voor zonnecollectoren en windmolens. En we weten maar al te goed hoe beladen de discussies ook daarover kunnen zijn.

Wat willen we zelf?

Ik denk dat die discussies in het verleden vaak verkeerd zijn gevoerd. Wanneer het goed is voor heel Nederland dat Groningers de overlast ervaren van de energievoorziening, dan doet hun stem er meer toe dan die van anderen . Dan zouden zij daar meer dan andere Nederlanders van moeten profiteren. Dat geldt voor de aardgaswinning, waar mensen compleet gefrustreerd raken doordat het evenwicht tussen lusten en lasten ver te zoeken is. Maar het geldt bijvoorbeeld ook voor windenergie. Wat hebben de inwoners van de streek daar zelf aan?

Aan het Oosterdiep in Wildervank staat een borstbeeld van een somber kijkende meneer met een hoed. Het is Adriaan Geerts Wildervanck, de stichter van Wildervank en Veendam. Hij was een ondernemer die zich niet liet vertellen hoe hij zaken moest doen. Hij ontwikkelde zelf een visie en handelde. In de Pekela’s zijn een school, een straat en een bejaardenhuis genoemd naar Feiko Clock, niet helemaal de stichter, maar wel degene die de vervening een enorme impuls gaf.. Zelfs het gemeentewapen bevat een klok, als symbolische verwijzing naar hem. Ook Klok gedroeg zich weinig koloniaal. Hij wachtte niet af totdat anderen voor hem een visie ontwikkelden. Hij handelde en schreef geschiedenis. ‘Over ons en zonder ons’ is ook anno nu niet een model waarmee je borstbeelden en straatnamen verdient.

Wat willen we zelf? Met onze streek? Met onze toekomst? Dat is de hamvraag. Wat zijn onze aardgasbaten? Wat zijn onze windbaten? Hoe richten we onze omgeving in? Wat willen we bewaren en wat willen we vernieuwen? Wat krijgen we voor wat we leveren? Nul op de meter voor wie zijn huis versterkt moet krijgen? Gratis stroom voor mensen die uitzicht hebben op windmolens? Een aandeel in de winst? Werk voor onze kinderen? Het evenwicht tussen lasten en lusten moeten we zelf aanbrengen. We kunnen daar de weg voor vrijmaken, als we omschakelen naar een ander soort deelname en een andere soort activisme.

Het gaat razendsnel

We zien hoe snel het gaat. In 1879 lukte het Thomas Edison voor het eerst een gloeilamp te laten branden. Drie jaar later leverde Edison elektriciteit aan 60 rijke New Yorkers. Het jaar daarop werd elektrisch licht gedemonstreerd op het Landbouwkundig Congres in Veendam, in Hotel de Unie. De technologische voorhoede was hier. In de landbouw in de Veenkoloniën. We hebben oude papieren voor een voorhoederol.

Zonnepanelen waren eerst een zeldzaamheid. Nu staan ze overal. Windparken waren peperduur. Ze draaiden op subsidies, zeiden we. Inmiddels niet meer. Voor energie waren we tot voor kort afhankelijk van de erfgenamen van Edison: energiebedrijven. Nu worden we steeds meer onze eigen producent.
Jarenlang draaide het in de landbouw om hogere opbrengst. Meer zetmeel en meer suiker per bunder. Nu denken we: wat kunnen we nog meer met die aardappel? Welke toepassingen zijn er mogelijk met zetmeel en biochemie?
Waar begint een betere wereld? Je kunt alleen werken aan een betere toekomst, als je je die kunt voorstellen. En als we zo naar onszelf kunnen kijken. Als we ons leven en onze bedrijven steeds opnieuw kunnen uitvinden. Als we zelf voorzien in visie op de Veenkoloniën en die realiseren… dan nemen we het heft in eigen hand. De visie op de Veenkoloniën begint bij de visie van de Veenkoloniën. 

(Dit is de tekst van een lezing die ik vandaag hield in het Museum Collectie Ter Borg in Ommelanderwijk)