Weg met de reservebank


Noem het rustig eenzijdig. We hebben allemaal zo onze eigen tunnelvisie. Voor de man met de hamer is elk probleem een spijker. En zelf heb ik zoveel jaar rondgelopen in de wereld van werk en inkomen (CNV, Divosa) dat ik werkloosheid zie als de moeder van alle problemen. Wie werkt heeft ritme, heeft collega’s en meer geld te besteden dan wie niet werkt. Wie geen werk heeft is statistisch minder gelukkig en minder gezond. Deze week las ik in de krant dat wie werkt zelfs gelukkiger is in de lieftde! En allerlei maatschappelijke problemen – op het gebied van leefbaarheid, armoede, veiligheid – vertonen een opvallende samenhang met wat ze in de statistieken sjiek de ‘arbeidsparticipatie’ noemen.  



ESF en de man met de hamer

Vandaag is dat voor de meeste aanwezigen bekende kost. Want werk is het verbindende thema in het werk van de meeste aanwezigen. Ik mag – vlak voordat de gloednieuwe staatssecretaris Tamara van Ark de ESF-awards uitreikt – een ‘keynote’ speech houden. Over 60 jaar Europees Sociaal Fonds. Het voelt voor mij als een thuiswedstrijd, al heb ik met het fonds zelf beduiden minder ervaring dan de meeste aanwezigen. Maar het is prettig gezelschap, de mensen van werk en inkomen.

We kunnen elkaar feliciteren met 60 jaar ESF. Het Europese fonds dat is bedoeld om werkgelegenheid te ondersteunen, mensen aan werk te helpen en te zorgen voor eerlijke arbeidskansen voor alle EU-burgers. Dit fonds moet ons helpen om een inclusieve arbeidsmarkt te creëren. Waarin mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt re-integreren en iedereen die werkt actief en gezond ouder wordt in dat werk.

Ik moest zelf even rekenen voordat ik het doorkreeg. Zestig jaar geleden: dat is 1957. Het ESF was dus onderdeel van het Verdrag van Rome, de geboorteakte van de EEG, de latere EU. Het verhaal gaat dat de ministers van Buitenlandse Zaken die in een prachtige zaal het verdrag tekenden, een boek vol blanco pagina’s voor zich hadden. De tekst was uitonderhandeld, maar hij kon niet op tijd vertaald en gedrukt worden. Ze tekenden dus lege briefjes. De Europese samenwerking kon nog allerlei vormen aannemen. Maar het ESF zat er al in.

Resultaten of driedubbele controle?

Is het een feestje? 60 jaar ESF. Ik vind dat er reden genoeg is voor een feest. Maar als je de discussies volgt, zie je dat ze meestal niet gaan over de resultaten. Resultaten, waarmee de prijswinnaars van vandaag laten zien dat ESF-subsidie een groot verschil kan maken in het leven van kwetsbare mensen. Het gesprek gaat over hoe moeilijk het is gemaakt. Het gaat over rechtmatigheid en veel voorschriften. Het gaat over hoe iedereen zijn uiterste best doet om de verantwoording makkelijker te maken, maar het voor veel subsidievragers nog steeds voelt als een angstig avontuur. En dat is jammer, want elk gesprek over de rechtmatigheid en de driedubbele controle gaat ten koste van het gesprek over de inhoud.

Voor de man met de hamer is elk probleem een spijker. Er is een flinke kans dat het ESF in de komende jaren de man met de hamer zal tegenkomen. De middelen krimpen nu al. Waar Nederland in de vorige periode 830 miljoen euro kreeg, moeten we het nu doen met 507 miljoen.

En de verwachtingen voor de komende jaren zijn somberder. Lidstaten moeten zo’n acht miljard euro extra bijdragen als we na de Brexit het bestaande uitgavenniveau van de EU willen handhaven. Dat zullen ze waarschijnlijk niet doen. En in dat soort discussies staat het thema sociale cohesie al snel in het rijtje dat opgeofferd wordt. Er is dus best reden voor zorg. Die zorg is wat mij betreft alle reden om het ESF deze periode goed te gebruiken, zodat we mogelijke critici met klinkende resultaten om de oren kunnen slaan.

Ruilen met onze problemen

Als CNV-voorzitter bezocht ik ruim tien jaar geleden Ghana. En behalve veel projecten waarbij wij betrokken waren, bezocht ik ook het beruchte slavenfort Elmina. Ik was behoorlijk onder de indruk van de verhalen. Maar één van de lokale vakbondsleiders zei tegen me: als je vandaag een schip in de haven van Accra legt en vertelt dat dat naar Europa gaat, is het morgen propvol mensen. Het cynische bewijs voor die stelling wordt nu bijna dagelijks geleverd op de Middellandse Zee.

Wie Nederland van een afstandje bekijkt, krijgt de indruk dat Nederland het ESF-programma best zou kunnen missen. Nederland is een welvarende uithoek van Europa. En Europa is een eiland van welvaart en stabiliteit in een woelige wereld. Natuurlijk hebben we problemen. Maar het grootste deel van de wereldbevolking zou er meteen voor tekenen. Er zijn weinig landen in de wereld en er zijn weinig andere tijden in dit land waarmee je op goede gronden zou willen ruilen.

In het binnenlands bestuur koop je niet zoveel voor dit soort relativeringen. Want we hebben flinke problemen. En een bijzonder venijnige vind ik de omvang van de reservebank.

De reservebank van Nederland

We hebben vandaag een zaal vol deskundigen. Dus ik probeer de feitenkennis even uit. Hoeveel mensen zitten thuis met een uitkering? De beroepsbevolking is op dit moment bijna negen miljoen mensen. Na een paar foute antwoorden roept iemand ‘anderhalf miljoen’. Ik reken het goed. Volgens de laatste CBS-cijfers (van maart 2017) verstrekken we aan bijna 1,7 miljoen mensen een uitkering.

Maar we zitten natuurlijk in de nadagen van de crisis. En hoewel de ww-cijfers sinds begin vorig jaar serieus dalen, wordt dat compleet gecompenseerd door de bijstand die – in ieder geval tot maart – gewoon doorstijgt.
1,7 miljoen mensen leven van een uitkering. Dan wordt interessant hoeveel mensen dat negen jaar geleden deden, in 2008. Preciezer: in augustus 2008. De maand vóórdat de bank van Lehman Brothers omviel. De arbeidsmarkt was overspannen. Het leek op tijden die we misschien wel weer krijgen: sollicitatiegesprekken in de autoshowroom. Als je de baan kreeg, kreeg je je leaseauto meteen mee…  

De arbeidsmarkt stond dus zo strak als een vioolsnaar, medio 2008. Hoeveel mensen kwamen er toen rond van een uitkering? Iemand roept: een half miljoen. Iemand anders oppert een miljoen. Het waren er 1,3 miljoen. Het verschil tussen crisis en hoogconjunctuur is dus veel kleiner dan zelfs goed ingevoerde mensen denken. Ook toen werkgevers wanhopig werden omdat ze niemand konden vinden, zaten er een kleine anderhalf miljoen mensen thuis met een uitkering. Ziehier, de reservebank van Nederland.

Wie betaalt dat?

Wat kost zo’n reservebank? Volgens de begroting van SZW besteden we volgend jaar 23 miljard euro, alleen al aan de inkomensoverdrachten. De uitvoeringskosten en de subsidies komen daar dus nog eens overheen. De vuistregel in mijn hoofd dat een uitkering 15.000 euro per jaar kost, is dus te laag. Het is eerder 17.000.

Wie betaalt die kosten eigenlijk? Wij allemaal natuurlijk. Maar je kunt ook zeggen dat het Nederlandse bedrijfsleven de salarissen betaalt, de belastingen en de sociale premies. En dat is opmerkelijk. Er is veel gedoe geweest over de quotumwet. Want die verplicht grotere werkgevers om elke twintigste arbeidsplaats voor een arbeidsgehandicapte te reserveren. En anders is er een boete van 5.000 euro per jaar. Ik hoop altijd dat werkgevers niet heel goed zijn in staartdelingen, want wie gaat rekenen, ontdekt dat de boete maandelijks net iets meer kost dan een kratje bier per medewerker.

De belastingen en sociale premies die nodig zijn om de reservebank te financieren, laten zich niet meer uitdrukken in kratjes bier. Dat gaat elk jaar opnieuw over duizenden euro’s per medewerker. Die worden zonder morren betaald. Die belastingen en premies veroorzaken ‘de wig’, het verschil tussen wat je verdient en wat je je baas kost. Hoe groter de wig, hoe duurder het is om personeel in dienst te nemen. En zo creëert werkloosheid nieuwe werkloosheid.

Wie wil weten wat de reservebank kost, moet natuurlijk ook kijken naar de gemiste opbrengsten. Want wie werkt, levert meestal ook iets op. En daarnaast betaalt hij zelf belastingen en premies. Real Madrid heeft dure reservespelers, maar wij kunnen er ook wat van. Het is een twijfelachtige luxe, die we ons kennelijk kunnen permitteren. Wat een rijk land!

Weg met de reservebank

We kunnen er van af. In het theoretische geval dat morgen alle mensen die een uitkering ontvangen een reguliere baan hebben, ontstaat er ruimte voor een lastenverlichting van maar liefst 23 miljard. Dat is nog eens wat anders dan de dividendbelasting. Ik heb VNO NCW wel eens voor minder de lobbymachine zien starten!

Natuurlijk kan niet iedereen werken. Ongeveer de helft van de mensen met een uitkering is arbeidsongeschikt. Maar ook als je voorzichtig schat, zijn honderdduizenden mensen beter af met werk dan met een uitkering. Je kunt de 17.000 euro die hun uitkering kost dus ook beschikbaar stellen aan de werkgever die het mogelijk heeft gemaakt dat ze nu geen uitkering meer nodig hebben. Da’s lastenverlichting achteraf. De bruto loonkosten van iemand die het minimumloon verdient zijn ongeveer 23.000 euro per jaar. De afstand tussen een uitkering en werk is dus nog maar 6.000 euro. Daarvoor moet je kunnen ondernemen.

Aannemers die te maken hebben met onze aanbestedingsvoorschriften op het gebied van ‘social return on investment’ hebben samen met TNO de Prestatieladder Sociaal Ondernemen (PSO) ontwikkeld. Eerlijk is eerlijk: ik heb dat ding nooit begrepen, zo ingewikkeld vind ik het. Als een ambtenaar het had bedacht, waren we boos geweest over zoveel bureaucratie!

Maar mijn boodschap is deze: als werkgevers zulke moeilijke dingen willen doen voor overheidsopdrachten, dan willen ze vast ook wel wat doen om in aanmerking te komen voor de beloning. Het is hip om duurzaam te zijn. En het is goed voor je reputatie en voor je portemonnee als je mensen aan werk helpt.

Niets doen is geen optie

Tot nu toe lijkt het een rekensommetje. Maar de grootste maatschappelijke kosten zitten natuurlijk in iets anders. Die zit in een grote groep mensen die ’s avonds niet moe thuis komt van zijn werk in de wetenschap dat andere mensen op hun prestaties zaten te wachten. Mensen die vaker moeite hebben om de eindjes aan elkaar te knopen. Mensen die minder gelukkig zijn. Mensen die vaker zorg nodig hebben. Menselijke gezondheid en geluk zijn – om de creditcardreclame te citeren – onbetaalbaar.

Ik vind opscheppen over je werk een mensenrecht. En mocht u dat een particuliere opvatting vinden: werk is echt een grondrecht. Het staat op dezelfde manier in de Grondwet als onderwijs en gezondheid. Niets doen is geen optie.

Nou doen we ook niet niets. Er zijn tienduizenden mensen in Nederland hartstikke druk in de wereld van werk en inkomen. Vaak natuurlijk ook heel druk om er voor te zorgen dat mensen tenminste niet zonder middelen van bestaan zitten. En dat de uitkeringen terecht komen bij de mensen voor wie ze zijn bedoeld. Maar we zitten vandaag in een zaal vol mensen die werk maken van andermans werk. In de wetenschap dat er buiten deze zaal nog veel collega’s zijn.

Voorkomen, genezen …

Doen we de goeie dingen? Laten we de regels van de handboeken van de dokter volgen: voorkomen is beter dan genezen. Genezen is beter dan schadebeperken. En schade beperken (dat is: voorkomen van erger) is beter dan niets doen. Een bruikbare drietrapsraket.

Voorkomen, is als we mensen met een diploma waarvan de inkt nog moet drogen direct aan werk helpen. Dat zullen de leerlingen van de scholengemeenschap Winkler Prins in Veendam beamen. Ik opende hun VMBO-schooljaar. En ik vroeg hen wat ze vonden van leerplicht. Dat vonden ze niet leuk, maar ja, school was wel belangrijk voor werk. Maar als je leerplicht had, waarom was er dan geen recht op werk? Laten we die grondwet maar volgen. Met name bij kwetsbare schoolverlaters – ik denk ook aan het speciaal- en praktijkonderwijs – is het van levensbelang dat we geen mensen verliezen. Daarbij speelt in de praktijk het ESF een grote rol.

Genezen doen we door mensen aan werk te helpen. De arbeidsmarkt trekt aan. De verdere toekomst is onzeker, met al die voorspellingen over robots. Dus dit is het moment. En net als we werklozen aan banen willen koppelen, dan komen we aan bij het klassieke probleem: de mismatch. Werkgevers zitten te springen om personeel. Maar ze kunnen het niet krijgen. Ook niet op de reservebank. Als het niet lukt om daar in een krapper wordende arbeidsmarkt iets aan te doen, dan lukt het nooit.

Het ESF kan helpen om mensen dichter bij een baan te krijgen. Door scholing mogelijk te maken. En door ruimte te bieden voor de mensen bij wie niks vanzelf gaat. Vluchtelingen met een verblijfsvergunning. Jongeren in de jeugdzorg of in de gevangenis.
De opgave is enorm. En het vaste verhaal dat ik zeven jaar lang bij Divosa hoorde is: aandacht. Laten we mensen die een tijd werkloos zijn voortaan vragen wat ze graag willen. Niemand die dan zegt: niets. Met dat antwoord kunnen we meestal aan de slag.  

Schade beperken kan op tal van manieren. Het hangt af van je ambitieniveau. De ondergrens is de bijstand zelf. Zorgen dat je eten en drinken hebt. Maar al snel gaat het ook hier over meedoen.
Als een baan te hoog gegrepen is, zelfs als je uitkering het startkapitaal vormt, dan moeten we zorgen dat je maatschappelijk gewaardeerd, zinvol werk kunt verrichten. Dat er mensen op je rekenen. En dat je ze niet teleur gesteld hebt.
Nuttig werk, zoals de conciërge op school, koffie schenken in het verzorgingstehuis, zodat mensen een dagbesteding krijgen, zinvol bezig zijn en het genot meemaken om s avonds moet op de bank neer te mogen ploffen. 

Groningen

Want als ik kijk naar de provincie waar ik nu goed anderhalf jaar commissaris van de Koning ben, dan zie ik dat de economie groeit, maar de werkloosheid en de armoede blijven. De provincie Groningen is volgens het CBS landskampioen werkloosheid. En helaas hekkensluiter bij de daling van de werkloosheid.

Als wetenschappers een kaartje maken van de verspreiding van maatschappelijke problemen, dan zie je vaak rechts van de stad Groningen de donkere kleuren: de laagste levensverwachting, de laagste inkomens, de meeste psychiatrie, de meeste rokers, de meeste obesitas, veel kinderen in de jeugdzorg, de meeste chronische ziekten, de ongunstigste banenontwikkeling, de hoogste betalingsachterstanden voor gas en electra, veel laaggeletterdheid. Niemand zou het merken als je de opschriften boven de kaarten zou veranderen. Ze zijn onderling uitwisselbaar: donkere kleuren in Oost-Groningen, Oost-Drenthe, Twente en Limburg. En nog een paar donkere plekken, vooral in de drie grootste steden. De sociale kaart van Nederland. De hoge uitkeringscijfers ook de armoedecijfers zijn in die delen van Nederland indrukwekkend. De twee centrale ESF-thema’s – actieve inclusie en actief en gezond ouder worden – zijn in een select aantal postcodegebieden een behoorlijke uitdaging.

Sociale geschiedenis 

De provincie Groningen biedt beide gezichten. De stad Groningen biedt, zoals veel steden, een gemengd beeld. Aan de ene kant een grote groep mensen in de bijstand. Twee buurten in de top tien van de armoede-atlas. Tegelijk is de stad een formidabele economische motor. De stad is in de afgelopen jaren spectaculair gegroeid. Dat de provincie een groeiend inwoneraantal heeft, komt vooral door de groei van de stad. Het ‘ommeland’, zoals we dat in Groningen noemen, met name het deel langs de Waddenkust en Oost-Groningen, is dat voor een groot deel niet. En in Oost-Groningen zien we de gevolgen van het gestage verdwijnen van werkgelegenheid.

De landbouw was een belangrijke werkgever. Maar door mechanisatie en schaalvergroting houdt die steeds minder mensen aan het werk. Waar een boer met 60 hectare vroeger 15 arbeiders had, zien we dat hun zonen het bedrijf hebben uitgebreid tot 120 hectare die ze in hun eentje bewerken.

Bekend is de Groningse geschiedenis van de inwoners van de veengebieden die na de tijd van de turfwinning werk vonden in stokartonfabrieken, tot ook die gesloten werden. Maar het verdwijnen van de industrie is niet typisch Gronings. In het rivierengebied sloten de steenfabrieken. In Limburg de mijnen. In Twente de textielfabrieken. En in Rotterdam ligt de haven die de stad niet meer nodig heeft. Het probleem van een grote groep mensen zonder werk. Het probleem van veel kansarme mensen op een kluitje.
Het probleem van postcodegebieden waar de armoede van generatie op generatie wordt doorgegeven, komt in meer delen van het land voor, maar zeker in het oosten van onze provincie.  

Drie voorbeelden

Hoe keren we dat? Ik zou zeggen: door iets extra’s te doen. En met de ondersteuning van Den Haag en Brussel. Ik heb drie voorbeelden.

Het eerste voorbeeld: Nationaal denken, in plaats van randstedelijk. We moeten de arbeidsmarkt durven bezien in nationaal perspectief. Nog niet zo lang geleden gingen de burgemeesters van de vier grootste steden van ons land eten met de premier. En Rutte betaalde, want er moest een investeringsplan komen voor de Randstad, ter waarde van 35 miljard euro. Veel daarvan is investeren in bereikbaarheid. Dat was nodig, las ik, want de Randstad is goed voor de helft van het bruto nationaal product. Dat laatste is niet gek. Want de helft van de bevolking woont ook in de provincies Noord- en Zuid Holland en Utrecht. De andere helft van de Nederlanders én van het BNP komt dus van buiten de Randstad.

Ik zou het weldadig vinden als we in Nederland eens wat groter gingen denken. We kunnen voor veel geld het dichtslibben van de randstad tegen gaan. Maar we kunnen ook een andere keuze maken. Nederland is klein en overal mooi. Noord, Oost en Zuid-Nederland bieden een oplossing voor een nationaal probleem. Wat zou er gebeuren als we de enorme kosten van bereikbaarheid gewoon zouden doorberekenen en daarmee bedrijven zouden stimuleren om ook eens buiten de randstad te kijken? Wat voor land zouden we krijgen als we weer ruimtelijk durven te ordenen? Wat zou dat doen met de dynamiek op de arbeidsmarkt in de regio?

Het tweede voorbeeld: Van de nood een deugd maken. Gronings gas heeft decennialang een grote bijdrage geleverd aan de welvaart in ons land. De laatste jaren is helaas duidelijk geworden dat de winning van gas grote negatieve effecten heeft. Tegenover de baten voor Nederland staan toenemende lasten, vooral door aardbevingen in het winningsgebied.

We staan aan de vooravond van een enorme versterkingsoperatie in het gaswinningsgebied. Er is uitgerekend dat dat leidt tot een extra inzet van 5200 voltijdsbanen per jaar. Daar komt nog bij dat de bouw een aanzienlijke vervangingsvraag kent. De gemeenten in het aardbevingsgebied zagen daarin ook een kans. We doen het echt enorm verkeerd als we er niet in slagen Groningers daardoor aan het werk te krijgen.

Natuurlijk is er ook hier het bekende probleem. De mismatch, daar is-ie weer. De ervaren timmerlieden, schilders en bouwvakkers waren samen goed voor nog geen vier procent van het bestand. Veel minder dan nodig is.
De rest is dus scholing. Het liefst op voorraad. We sloten een convenant, onder andere met het ministerie van SZW. We dachten na over social return on investment. En we vroegen de minister of we het nog niet bestede geld van een sectorplan mochten behouden voor de Groninger arbeidsmarkt. Gelukkig mocht dat. Maar ook hier kunnen we de Europese middelen gebruiken voor het doel waarvoor ze bestemd zijn. Want er zijn eigenlijk twee smaken: we gaan het doen. En het leidt tot een aanpak die verschil maakt. Of het wordt niks, en dan missen we een enorme kans.  

Het derde voorbeeld is perspectief voor Groningen. De versterkingsoperatie staat niet op zichzelf. Het nieuwe kabinet heeft forse ambities op het gebied van de energietransitie. En alleen al uit het regeerakkoord blijkt dat de partijen zich realiseren: de weg naar Parijs (en naar Bonn) loopt via Groningen. We hebben een ‘Gronings bod’ neergelegd, dat bol staat van groene energie, wonen en bouwen van de toekomst en slim vervoer. Het is zonde als je huizen alleen versterkt. Dit is een nationale kans om de energietransitie op grote schaal vorm te geven. Aardgasloos. Levensloopbestendig. Domotica in slimme huizen.
Groningen heeft de kennis en de bedrijven in huis om deze slag te maken.  

Om nieuwe vormen van werkgelegenheid te creëren vanuit het vraagstuk om van fossiele energie over te schakelen naar duurzame energie. Om in de bouwsector een draai te maken naar nul op de meter, naar smart grids, naar de domotica. Om fanatiek te gaan experimenteren met het enige 5G-netwerk in de wereld in ruraal gebied. Dit soort zaken leidt tot werkgelegenheid. Tot nieuwe, kleine bedrijfjes die uitgroeien tot grotere. Die bedrijfjes leiden tot de vestiging van andere bedrijven, omdat die het idee hebben dat het hier gebeurt. Dan wordt de stad nog mee een economische magneet voor de regio dan nu al het geval is. Als je zo naar mobiliteit kijkt, werk je ook aan oplossingen om de regio buiten de stad leefbaar want bereikbaar te houden.

Wie dan wel?

Opscheppen over je werk als mensenrecht. ‘Waarover schep je op?’, vroeg ik ooit aan medewerkers van een sociale dienst. Het bleef angstig lang stil. Daarna nam een vrouw het woord. Ze zei kordaat: ‘Wij scheppen niet op. Wij helpen mensen.’ Ik vond het zelfbewust genoeg.

We vieren vandaag 60 jaar ESF. Niet het fonds zelf is reden voor een feest. Het gaat om de resultaten die we er mee bereiken. Weg dus met de reservebank! We worden betaald door de belastingbetalers, die rekenen op onze professionaliteit. We helpen mensen die geen alternatief hebben voor onze professionaliteit. En ook wij willen ’s avonds tevreden terug kijken op de resultaten van ons vakmanschap.

De reservebank verdwijnt niet vanzelf. De markt alleen lost het niet op. Als wij het verschil niet maken, wie dan wel?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *